2.10.9 – God is geen God van doden, maar van levenden

Daar komt nog bij dat God niet alleen verklaarde dat Hij Israëls God zou zijn. Hij verklaarde ook dat Hij het altijd zou blijven. Want Hij wilde dat ze niet tevreden zouden zijn met goede dingen in het hier en nu, maar hun hoop zouden richten op de eeuwigheid. Veel uitspraken laten zien dat het voor hen die betekenis had als de toekomst genoemd werd. Want als het hun slecht ging, was het voor hen niet alleen voor dat moment, maar ook voor de toekomst een troost dat God hen nooit zou verlaten.

Bovendien – dat was het tweede onderdeel van de belofte – gaf God hun ook nog deze verzekering om aan te geven dat zijn zegen reikte tot buiten de grenzen van het aardse leven: ‘Ik zal de God zijn van jullie nageslacht na jullie.’ Genesis 17:7 God zou dus laten zien dat Hij hun goedgezind was door na hun dood ook hun nakomelingen goed te doen. Dan zouden zij zelf die gunst zeker niet missen! Want God is anders dan mensen. Mensen dragen hun liefde over op de kinderen van hun vrienden als die gestorven zijn, omdat ze geen gelegenheid meer hebben om hun vrienden van dienst te zijn. Maar voor Gods vriendelijkheid is de dood geen belemmering. De doden laat Hij nog steeds de vrucht van zijn barmhartigheid plukken en omwille van hen laat God die barmhartigheid reiken tot wel duizend generaties. Exodus 20:6 De Heer wilde voor hen door een sterk bewijs er hoog van opgeven hoe groot en overvloedig ze zijn goedheid na hun dood zouden ervaren. Daarom beschreef Hij die goedheid als een goedheid die aan heel hun nageslacht in overvloed bewezen zou worden.

Dat deze belofte waar is, heeft de Heer zelf bevestigd toen Hij zichzelf lang na hun dood de God noemde van Abraham, Izak en Jacob. Exodus 3:6 Dat zou toch een belachelijke aanduiding zijn als zij er niet meer waren? Want dan zou het net zijn alsof Hij gezegd had: ‘Ik ben de God van hen die er niet meer zijn.’ Daarom vertellen de evangelisten dat Christus de sadduceeën de mond snoerde met dit ene argument. Mattheüs 22:32; Lucas 20:37-38 Daardoor konden ze niet ontkennen dat zelfs Mozes getuigd had dat de doden zullen opstaan. Want ze hadden van Mozes zelf geleerd dat alle heiligen in Gods hand zijn. Deuteronomium 33:3 En het lag voor de hand om daaruit te concluderen dat zelfs de dood voor hen niet het einde is, als Hij die beschikt over leven en dood voor hen zorgt, over hen waakt en hen beschermt.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.