2.10.6 – Het manna was een geestelijk symbool

0
507

Om deze uitspraak van Paulus te ontzenuwen, wordt er wel tegen ingebracht dat Christus zegt: ‘Jullie voorvaders hebben het manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven. Maar wie mijn lichaam eet zal in eeuwigheid niet sterven.’ Johannes 6:49-54

Maar deze twee uitspraken kun je gemakkelijk met elkaar in overeenstemming brengen. De Heer sprak tegen luisteraars die alleen maar genoeg te eten wilden voor hun maag. Ze maakten zich niet druk om voedsel voor hun ziel. Daarom past de Heer zijn woorden aan aan hun begrip. Hij plaatst tegenover zijn lichaam het manna zoals zij dat opvatten. Zij eisten dat Hij zijn kracht zou bewijzen door een of ander wonder, om zo gezag te krijgen. Dat had Mozes gedaan in de woestijn toen hij het voor elkaar had gekregen dat er manna uit de hemel kwam. Maar in dat manna zagen zij niets anders dan een remedie voor de lichamelijke honger die het volk toen kwelde. Ze drongen niet door tot het diepere mysterie waar Paulus op doelt.

Christus wil laten zien dat de gave die ze van Hem moesten verwachten nog veel geweldiger was dan de gaven die Mozes volgens hen aan hun voorvaders geschonken had. Daarom trekt Christus de volgende vergelijking: ‘Jullie vinden het een groot en opmerkelijk wonder dat de Heer door Mozes voedsel uit de hemel heeft uitgedeeld aan het volk, om te voorkomen dat het in de woestijn van honger zou omkomen. Door dat voedsel konden ze een tijdje in leven blijven. Dat betekent dus dat het voedsel waardoor je onsterfelijk wordt, nog veel beter is!’

Zo zien we waarom de Heer het belangrijkste aspect van het manna weglaat en alleen het minst belangrijke voordeel van het manna noemt. De Joden wilden Hem bekritiseren en daarom brachten ze Mozes tegen Hem in. Mozes had de nood van het volk verholpen door middel van het manna. De Heer antwoordt dan dat Hij een veel diepere genade uitdeelt. Vergeleken met die genade is het voedsel voor het lichaam, waar zij zoveel waarde aan hechtten, compleet waardeloos.

Maar Paulus wist dat de Heer het manna niet alleen uit de hemel liet regenen als voedsel voor de maag. Hij wist dat de Heer het manna ook gaf als een geestelijk mysterie, om af te beelden dat Christus ons geestelijk levend maakt. Dat aspect is zeer de moeite waard om over na te denken en dus slaat hij dat niet over.

Daarom is het duidelijk dat we wel moeten concluderen dat de Joden niet alleen dezelfde beloften over het eeuwige leven in de hemel hebben gekregen als die de Heer ons waard keurt. Die beloften zijn voor hen ook echt door geestelijke sacramenten bezegeld. En dat behandelt Augustinus uitgebreid in zijn Tegen Faustus de manicheeër.1

1Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XV, 11; XIX, 16.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in