Insitutie Boek 2 – God als verlosser in Christus 2.1 – De zondeval en de erfzonde 2.1.7 – De zonde is erfelijk omdat God dat zo bepaald heeft

2.1.7 – De zonde is erfelijk omdat God dat zo bepaald heeft

En om deze kwestie goed te kunnen begrijpen is het niet nodig om angstvallig te discussiëren over de vraag of de ziel van een zoon afstamt van de ziel van zijn vader. Voor de kerkvaders was dit een prangende vraag, omdat de besmetting vooral in de ziel huist. Maar wij moeten ermee tevreden zijn dat de Heer de gaven die Hij aan de menselijke natuur wilde geven, bij Adam in bewaring heeft gegeven. Dus toen Adam die gaven kwijtraakte, raakte hij ze niet alleen kwijt voor zichzelf, maar voor ons allemaal. Waarom zou je je druk maken over de afstamming van de ziel, als je hoort dat Adam de gaven die hij kwijtgeraakt is ook voor ons gekregen heeft en niet alleen voor zichzelf? Als je hoort dat die gaven niet aan één mens gegeven zijn, maar aan de hele menselijke natuur?

Er is dus niets absurds aan dat de menselijke natuur naakt en berooid achterbleef toen Adam van zijn gaven beroofd was. En dat heel de menselijke natuur geïnfecteerd raakte toen Adam door de zonde besmeurd was. Vandaar dat uit een verrotte wortel, rotte takken voortgekomen zijn. En die takken hebben hun rotheid weer overgebracht op andere scheuten die uit hen voortkwamen. Want als de kinderen bedorven zijn in hun vader, dan besmetten zij ook weer de kleinkinderen. Dat betekent dus dat Adam het begin geweest is van een bederf dat zich continu blijft verspreiden van de ene generatie op de volgende. De bron van de besmetting ligt immers niet in het wezen van het lichaam of de ziel. Het ligt in het feit dat God bepaald heeft dat de eerste mens de gaven die God hem gegeven had niet alleen voor zichzelf zou hebben en verliezen, maar ook voor zijn nageslacht.

De pelagianen steken daar echter de draak mee. Volgens hen is het onwaarschijnlijk dat kinderen van vrome ouders het bederf overnemen. Ze zouden juist door de zuiverheid van hun ouders geheiligd moeten worden. Maar dit is gemakkelijk te weerleggen. Want kinderen stammen niet van hun ouders af via de nieuwe, geestelijke geboorte uit de Heilige Geest, maar via de vleselijke geboorte uit Adam. Daarom zegt Augustinus dat een ongelovige die schuldig staat en een gelovige die vrijgesproken is geen van beiden vrijgesproken kinderen voortbrengen. Allebei brengen ze kinderen voort die schuldig staan. Want allebei brengen ze kinderen voort uit hun zondige aard.1 Dat de kinderen in een bepaald opzicht deel hebben aan de heiligheid van hun ouders, is een speciale zegen voor Gods volk. Het voorkomt niet dat de eerste en algemene vervloeking van het menselijk geslacht aan die zegen vooraf gaat. Want door onze natuurlijke aanleg staan we schuldig. Maar heilig worden we door bovennatuurlijke genade.

1Augustinus, De gratia Christi et de peccato originali contra Pelagium et Coelestinum, 39.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.