2.1.5 – De erfzonde

0
176

Adam leefde geestelijk omdat hij verbonden bleef aan zijn schepper. Hij was aan Hem verknocht. Daarom betekende het de ondergang van zijn ziel toen hij van zijn schepper vervreemd raakte. En het is niet vreemd dat hij door zijn verraad zijn hele soort in het verderf stortte. Want hij zette de hele natuurlijke orde van hemel en aarde op z’n kop. Heel de schepping zucht, zegt Paulus. Alle schepselen zijn tegen hun wil onderworpen aan het bederf.1

Als we vragen wat daarvan de oorzaak is, dan hoeven we er niet aan te twijfelen dat alle schepselen een deel van de straf dragen. De mens heeft die straf verdiend en alle schepselen waren geschapen om door de mens gebruikt te worden. Het is dus de schuld van de mens dat de vloek her en der uitvloeit en overal ter wereld huishoudt.

Daarom is het ook niet moeilijk te begrijpen dat de vloek zich van Adam heeft voortgeplant in heel zijn nageslacht. Adam was versierd met wijsheid, kracht, heiligheid, betrouwbaarheid en rechtvaardigheid. Maar nadat in hem het hemelse beeld verduisterd was, werden die versierselen vervangen door de afschuwelijke plagen van blindheid, onmacht, onreinheid, onbetrouwbaarheid en onrechtvaardigheid. Maar deze straf heeft hij dus niet alleen gedragen. Ook zijn nageslacht is door hem in deze ellende verstrikt geraakt en erin ondergedompeld.

Dit is het erfelijke bederf dat de kerkvaders ‘erfzonde’ noemden. Met het woord ‘zonde’ bedoelden ze dat onze natuurlijke aanleg die eerst goed en zuiver was, nu misvormd is. En over dit onderwerp hebben ze veel discussie gehad. Want niets staat zover af van de publieke opinie als het idee dat iedereen de schuld krijgt van iets wat één persoon misdaan heeft en dat de zonde zo iets wordt van iedereen samen. Dit lijkt de reden te zijn geweest dat de eerste leraren van de kerk de erfzonde alleen terughoudend en terloops aanstipten. In elk geval legden ze die minder duidelijk uit dan ze hoorden te doen.

Toch hebben ze met hun voorzichtigheid niet kunnen voorkomen dat Pelagius opstond. Hij kwam met het godslasterlijke verzinsel dat Adam alleen maar zichzelf benadeeld had door te zondigen. Hij zou zijn nakomelingen daarmee geen schade berokkend hebben. Blijkbaar heeft de satan met deze list geprobeerd de ziekte te verhullen, zodat er geen genezing meer mogelijk zou zijn. Later werd Pelagius er door duidelijke bewijzen uit de Schrift van overtuigd dat de zonde van de eerste mens werd overgedragen op al zijn nakomelingen. Toen bedacht hij het spitsvondige idee dat dat komt door imitatie, niet door voortplanting.

Daarom hebben goede mannen – Augustinus voorop – hun best gedaan om aan te tonen dat wij niet bedorven raken door een aangeleerde slechtheid, maar dat we van de moederschoot af een aangeboren bederf met ons meedragen. En het was het toppunt van onbeschaamdheid om dat te ontkennen. Maar je hoeft je niet te verbazen over de brutaliteit van de pelagianen en celestianen. Uit de geschriften van de heilige Augustinus kun je zien wat voor onbeschaamde beesten zij in elk ander opzicht geweest zijn.

Er blijft vast en zeker geen ruimte voor twijfel als David belijdt dat hij in onrechtvaardigheid geboren is en dat zijn moeder hem in zonde ontvangen heeft.2 Daarmee beschuldigt hij niet zijn vader of moeder van zonde. Maar hij belijdt dat hij zelf al bedorven is vanaf zijn geboorte. Zo wil hij Gods goedheid tegenover hem extra prijzen. Het is wel zeker dat dat niet speciaal van David alleen gold. Daaruit volgt dat hij een voorbeeld is dat aangeeft hoe heel het menselijk geslacht er gemeenschappelijk aan toe is. Wij komen allemaal voort uit onrein zaad. We worden dus allemaal besmeurd en besmet met de zonde geboren. Ja, nog voordat wij op aarde het levenslicht zien, staan we bevlekt en bezoedeld voor Gods aangezicht. Want wie zal een reine voortbrengen uit een onreine? Niemand, zoals er in het boek Job staat.3

1Romeinen 8:20-22

2Psalm 51:7

3Job 14:4

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in