2.1.3 – Zelfkennis moet ons leren wat onze plicht is en of we die plicht kunnen volbrengen

0
347

Gods waarheid stemt dus overeen met de publieke opinie van alle stervelingen: het tweede deel van wijsheid ligt in het kennen van onszelf. Toch is er een groot verschil in de manier waarop we onszelf leren kennen. Want op grond van zijn vleselijk oordeel vindt de mens dat hij zichzelf al heel goed onderzocht heeft als hij op zijn verstand en volmaaktheid vertrouwt en overmoedig wordt. Hij spoort zichzelf aan om de plichten van het fatsoen te volbrengen. Hij verklaart de oorlog aan de zonde en doet zijn uiterste best om te doen wat goed en fatsoenlijk is.

Maar wie naar zichzelf kijkt en zichzelf onderzoekt op basis van de maatstaf van Gods oordeel, vindt niets om zich op te beuren en op zichzelf te vertrouwen. Hoe dieper hij met zijn zelfonderzoek gaat, hoe neerslachtiger hij wordt. Uiteindelijk raakt hij elk zelfvertrouwen kwijt en houdt hij in zichzelf niets over waarmee hij zijn leven in de juiste richting kan leiden.

Toch wil God niet dat we vergeten hoe edel Hij onze voorvader Adam in het begin gemaakt had. Dat moet ons terecht aansporen om na te streven wat rechtvaardig en goed is. Want wij kunnen niet denken aan onze eerste oorsprong, of aan het doel waarvoor we geschapen zijn, zonder geprikkeld te worden tot nadenken over onze onsterfelijkheid en tot het zoeken van Gods koninkrijk. Maar het is absoluut niet zo dat we door die kennis bemoedigd worden. Het laat ons juist de moed in de schoenen zinken en het maakt ons nederig.

Want wat is onze oorsprong? Dat is immers de oorsprong waar we van afgevallen zijn. En wat is het doel waarvoor we geschapen zijn? Dat is het doel waar we ons volledig van afgekeerd hebben. Vol afschuw van ons ellendige lot smachten we nu zuchtend en steunend naar onze verloren waardigheid. Maar als ik zeg dat de mens in zichzelf niets mag zien dat hem moed kan geven, dan bedoel ik daarmee dat er in hem niets is waar hij op kan vertrouwen en waar hij trots op mag zijn.

Laten we de zelfkennis die de mens moet hebben dus maar als volgt verdelen. In de eerste plaats moet hij nagaan voor welk doel hij geschapen is en waarvoor hij al die niet te versmaden gaven gekregen heeft. Dat moet hem prikkelen om na te denken over het dienen van God en over het toekomstige leven. In de tweede plaats moet hij nadenken over wat hij kan, of liever, wat hij niet kan. Als hij dat inziet, blijft er als het ware niets van hem over en ligt hij er diep verslagen bij.

Het eerste moet hem leren wat zijn plicht is. Het tweede moet hem leren inzien in hoeverre hij in staat is die plicht te volbrengen. Beide punten zal ik behandelen in de volgorde die voor mijn onderwijs nodig is.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in