Het is onder de apostelen vooral Paulus die dit ideaal van de eenheid van de gemeente voor onze ogen plaatst en er zelf aan vasthoudt, ondanks alle verdeeldheid, waarvan hij ook in zijn dagen al getuige was. De gemeente is één lichaam, waarvan alle leden elkaar nodig hebben en dienen moeten. Rom. 12:4, 1 Kor. 12:12 e.v. Maar ze is zo’n eenheid omdat ze het lichaam is van Christus. Rom. 12:5, Ef. 1:23, Kol. 1:24 De eenheid van de gemeente wortelt in en komt op uit de gemeenschap met Christus. Hij is het hoofd van iedere gelovige, van elke plaatselijke gemeente en ook van de gemeente in haar geheel. Alle gelovigen zijn nieuwe schepselen, die God geschapen heeft in Christus voor goede werken, opdat ze daarin zouden wandelen. 2 Kor. 5:17, Ef. 2:10 Christus leeft en woont in hen en zij leven, bewegen zich en zijn in Christus. Christus is hun leven zelf. Rom. 6:11, 8:1, 8:10, 2 Kor. 13:5, Gal. 2:20, Fil. 1:21, Kol. 3:4 De formule ‘in Christus’ (in de Heer, in Hem) komt meer dan honderdvijftig keer in het Nieuwe Testament voor en geeft aan dat Christus niet alleen de voortdurende bron van het geestelijk leven is, maar dat Hij ook als zodanig, direct en rechtstreeks in de gelovige woont. De eenheid is zo nauw als tussen hoeksteen en tempel, man en vrouw, hoofd en lichaam, wijnstok en rank. De gelovigen zijn in Christus zoals alle dingen op grond van schepping en onderhouding in God zijn, zoals de vis in het water, de vogel in de lucht, de man in zijn beroep, de geleerde in zijn studie leeft. Ze zijn met Hem gekruisigd, gestorven, begraven, opgewekt, aan Gods rechterhand gezet, verheerlijkt. Rom. 6:4 e.v. Gal. 2:20, 6:14, Ef. 2:6, Kol. 2:12, 2:20, 3:3 enz. Ze hebben Hem aangetrokken, nemen zijn gestalte in zich op, openbaren in hun lichaam zowel het lijden als het leven van Christus en worden in Hem volmaakt (vervuld). Kortom, Christus is alles en in allen. Rom. 13:14, 2 Kor. 4:11, Gal. 4:19, Kol. 1:24, 2:10, 3:11

Deze innige gemeenschap wordt mogelijk gemaakt doordat Christus zich door zijn Geest aan de gelovigen meedeelt. Aangezien Christus door zijn lijden en sterven de Geest met al zijn gaven en krachten zo volkomen verworven en tot zijn eigendom gemaakt heeft dat Hij zelf de Geest genoemd kan worden, 2 Kor. 3:17 heeft Hij daardoor ook het recht verkregen om die Geest uit te delen aan wie Hij wil. De Geest van God is de Geest van Christus, de Geest van de Zoon, de Geest van de Heer geworden. Rom. 8:9, 1 Kor. 2:16, 2 Kor. 3:18, Gal. 4:6, Fil. 1:19 Dat iemand die Geest ontvangen heeft, drukt hetzelfde uit als dat Christus in iemand is. Want wie de Geest van Christus niet heeft, behoort ook niet aan Christus toe en is zijn eigendom niet. Rom. 8:9-10 Net zoals God zich aan de wereld meedeelt, zo deelt Christus zichzelf aan de gemeente mee door zijn Geest. De gelovigen zijn één Geest met Hem, 1 Kor. 6:7 ze zijn tempels van de Heilige Geest, door wie God zelf in hen woont. 1 Kor. 3:16-17, 6:19 Ze zijn, ze belijden, ze wandelen, ze bidden, ze verheugen zich in de Geest. Rom. 8:4, 8:9, 8:15, 14:17, 1 Kor. 12:3 Ze zijn geestelijke mensen, die verstaan en bedenken wat van de Geest is. Rom. 8:2, 1 Kor. 2:14 Ze worden voortdurend door de Geest geleid en tot de dag van de verlossing verzegeld. Rom. 8:15-16, 2 Kor. 1:22, Ef. 1:13, 4:30 Door die ene Geest hebben ze allen toegang tot de Vader en worden ze met elkaar op het fundament van apostelen en profeten opgebouwd tot een woning van God. Ef. 2:18, 2:22
Onder deze woorden geeft de Heilige Schrift ons een beschrijving van de wonderlijke vereniging die tussen Christus en zijn gemeente bestaat en die later met de naam unio mystica (mystieke unie, geheimzinnige, verborgen vereniging) werd aangeduid. We kunnen inderdaad deze vereniging in haar diepte en innigheid niet begrijpen. Ze gaat onze gedachten zeer ver te boven. Ze verschilt zeer zeker in natuur en aard van de eenheid die in het goddelijk wezen tussen de drie personen bestaat, want zij delen alle drie in het ene en zelfde goddelijke wezen en Christus en de gelovigen blijven juist in wezen onderscheiden. De vereniging tussen Christus en de gemeente wordt wel meermalen met die tussen Hem en de Vader vergeleken. Joh. 10:38, 14:11, 14:20, 17:21-23 Maar dan spreekt Christus niet over zichzelf als de Zoon, de Eniggeborene, maar over zichzelf als de Middelaar, die verhoogd zal worden aan Gods rechterhand en door wie de Vader al zijn welbehagen zal uitvoeren. Zoals de Vader de zijnen heeft uitverkoren in Christus vóór de grondlegging van de wereld Ef. 1:3 en hen begenadigd en verlost heeft in de Geliefde, Ef. 1:6-7, Hand. 20:28 zo brengt Hij ze ook allen in Christus bijeen. Ef. 1:10 De Vader woont in Christus als de Middelaar en deelt zo zichzelf en al zijn zegeningen aan de gemeente mee.
Maar toch, zo nauw en onverbrekelijk als de vereniging tussen de Vader en de Middelaar is, is ook die tussen Christus en de gelovigen. In innerlijke kracht overtreft ze elke vereniging die tussen schepselen wordt aangetroffen en zelfs de vereniging die er tussen God en zijn wereld bestaat. Terwijl ze aan de ene kant verschilt van elke pantheïstische vermenging, is ze aan de andere kant zeer verheven boven elke deïstische naast elkaar plaatsing en elk contractueel verband. De Schrift laat ons iets van haar wezen kennen door haar te vergelijken met de verhouding tussen wijnstok en ranken, hoofd en leden, man en vrouw. Het is een vereniging die heel de Christus met heel zijn gemeente en met elk van haar leden in de diepte van hun wezen, in de kern van hun persoonlijkheid ten volle en voor eeuwig verbindt. Die vereniging begon al in de eeuwigheid, toen de Zoon van God zich tot het middelaarschap bereid verklaarde. Ze kreeg haar objectief bestaan in de volheid van de tijd, toen Christus de menselijke natuur aannam, de gemeenschap van zijn volk binnenging en zich voor de zijnen overgaf aan de dood. En ze wordt in ieder mens persoonlijk verwezenlijkt als de Heilige Geest in hem neerdaalt, hem in Christus inlijft en hij van zijn kant deze eenheid met Christus in het geloof erkent en beaamt.
Maar deze gemeenschap aan de persoon van Christus brengt nu verder de gemeenschap aan al zijn goederen en weldaden mee. Er is geen deelgenootschap aan de weldaden van Christus zonder dat wij deel hebben aan zijn persoon, want de weldaden zijn niet af te scheiden van zijn persoon. Dat zou, in elk geval tot op zekere hoogte, nog denkbaar zijn wanneer de goederen die Christus schonk, van materiële aard waren. Immers, iemand kan ons zijn geld en goed geven zonder zichzelf aan ons te schenken. Maar de goederen die Christus schenkt, zijn geestelijk van aard. Ze bestaan vóór alle dingen uit zijn gunst, uit zijn ontferming, uit zijn liefde en die zijn door en door persoonlijk en kunnen niet van Christus losgemaakt worden. De ‘schat van verdiensten’ is daarom ook door Christus niet ergens op aarde gedeponeerd in de handen van paus of priester, in kerk of sacrament. Nee, de schat van verdiensten ligt uitsluitend bij en in Christus zelf. Hij is zelf die schat. In Hem keert de Vader ons zijn vriendelijk, gunstrijk aangezicht toe en dat is heel onze zaligheid.
Omgekeerd is er daarom ook geen gemeenschap aan de persoon van Christus zonder tegelijk aan al zijn schatten en goederen deel te hebben. De verhouding tussen de Vader en Christus is hier opnieuw basis en voorbeeld voor die tussen Christus en zijn gemeente. De Vader heeft zichzelf gegeven aan de Zoon en vooral ook aan de Zoon als Middelaar tussen God en de mensen, zodat de Vader niets voor zichzelf heeft gehouden, maar alles geschonken heeft aan Christus. Alle dingen zijn Hem overgegeven door de Vader. Mat. 11:27, Joh. 3:35 Alles wat de Vader heeft, is het zijne. Joh. 16:15, 17:10 De Vader en Christus zijn één, de Vader is in Hem en Hij is in de Vader. Joh. 10:38, 14:11, 14:20, 17:21-23 Maar zo deelt Christus op zijn beurt zichzelf en al het zijne door de Heilige Geest aan de gemeente mee. Joh. 16:13-15 Hij houdt niets voor zichzelf. Zoals de volheid van de Godheid in Hem lichamelijk woont, Kol. 1:19, 2:9 zo vervult Hij ook de gemeente, totdat zij de mate van de grootte van zijn volheid verkrijgt en vervuld is tot heel Gods volheid. Ef. 1:23, 3:19, 4:13, 4:16 Hij is alles in allen. Kol. 3:11
Het is een volheid die we uit Christus ontvangen, een goddelijke volheid, een volheid van genade en waarheid, een volheid die nooit uitgeput raakt en genade voor genade schenkt. Joh. 1:14, 1:16 Die volheid woont in Christus zelf, in zijn persoon, in zijn goddelijke en in zijn menselijke natuur, gedurende de staat van zijn vernedering en van zijn verhoging. Er is een volheid van genade in zijn vleeswording, ‘want jullie kennen de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij omwille van jullie arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat jullie door zijn armoede rijk zouden worden.’ 2 Kor. 8:9 Er is een volheid van genade in zijn leven en sterven, want in de dagen van zijn vlees heeft Hij gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft en toen Hij geheiligd was, is Hij voor allen die Hem gehoorzaam zijn een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden. Heb. 5:7-9 Er is een volheid van genade in zijn opstanding, want daardoor is met kracht bewezen dat Hij de Zoon van God is en heeft Hij ons opnieuw geboren laten worden tot een levende hoop. Rom. 1:3, 1 Pet. 1:3 Er is een volheid van genade in zijn hemelvaart, want daardoor heeft Hij de gevangenis gevangen genomen en de mensen gaven gegeven. Ef. 4:8 Er is een volheid van genade in zijn voorbede, want daardoor kan Hij degenen die door Hem naar God gaan volkomen zalig maken. Heb. 7:25 Er is een volheid van genade in Hem, om te vergeven, om opnieuw geboren te laten worden, om te vernieuwen, om te troosten, om te bewaren, om te leiden, om te heiligen, om te verheerlijken. Het is een lange, brede, diepe stroom van genade, die de gelovigen draagt van het begin tot het einde en tot in de eeuwigheid toe. Het is een volheid die genade voor genade, genade in plaats van genade schenkt, die de ene genade meteen door de andere vervangt, met de andere afwisselt, in de andere laat overgaan. Er is geen oponthoud en geen afbreking in. Het is alles genade en het is louter genade wat uit Christus de gemeente toevloeit.



















