Deze uitstorting van de Heilige Geest ging in de eerste tijd bij de leerlingen van Christus vergezeld van allerlei buitengewone krachten en werkingen. Zodra ze op de Pinksterdag met de Heilige Geest vervuld werden, begonnen ze te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Hand. 2:4 Volgens de beschrijving van Lukas hebben we hierin niet met een hoor-, maar met een spreek- of taalwonder te doen. Lukas was een vriend en medewerker van Paulus en kende het tongenspreken (de glossolalie), zoals dit bijvoorbeeld in Korinthe voorkwam, heel goed. Hij spreekt daarover ook zelf in Handelingen 10:46-47 en 19:6. Zonder twijfel was het verschijnsel dat op de Pinksterdag plaatsvond, verwant aan het tongenspreken, want anders had Petrus niet kunnen zeggen dat Cornelius en de zijnen de Heilige Geest ontvangen hadden net als wij. Hand. 10:47, vg. 11:17, 15:8 Maar ondanks dat was er toch verschil. Want in 1 Korinthiërs 14, net als in Handelingen 10:46 en 19:6, is er sprake van spreken in tongen (talen), zonder het bijvoeglijk naamwoord ‘vreemde’ erbij, dat onze Statenvertaling daarom ten onrechte opnam. Maar Handelingen 2:4 spreekt uitdrukkelijk over andere talen. Als de leden van de gemeente in Korinthe in tongen spreken, worden ze niet verstaan en begrepen, tenzij er later een uitleg volgt. 1 Kor. 14:2 e.v. Maar in Jeruzalem spraken de leerlingen al in andere talen voordat de menigte kwam toelopen en hen hoorde, zodat een hoorwonder is uitgesloten. Hand. 2:4 En toen die menigte hen hoorde, verstond ze het gesprokene, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken, in de taal waarin ze geboren waren. Hand. 2:6, 2:8 De andere talen, waarvan vers 4 spreekt, zijn dus zonder twijfel dezelfde als de talen die in vers 6 de eigen talen van de hoorders genoemd worden en in vers 8 nog verder worden aangeduid als de talen waarin ze geboren zijn. Het waren dus geen onverstaanbare klanken waarin de leerlingen spraken, maar andere talen, nieuwe talen, zoals het in Markus 16:17 heet en zoals ze van ongeleerde Galileeërs niet verwacht werden. Hand. 2:7 En in al die talen verkondigden ze de grote werken van God, vooral de werken die Hij in de laatste dagen in de opwekking en verhoging van Christus verricht had. Hand. 2:4, 2:14 e.v.

Nu mag dit bericht van Lukas niet worden opgevat alsof de leerlingen van Jezus op dat ogenblik alle mogelijke talen van de aarde kenden en spraken. En evenmin ligt er in opgesloten dat ze allen hoofd voor hoofd in alle vreemde talen gesproken hebben. Zelfs is de bedoeling van het taalwonder niet geweest dat de leerlingen aan de vreemdelingen het evangelie zouden verkondigen in hun eigen taal, omdat ze het anders niet konden verstaan. Want de vijftien namen die worden opgesomd, Hand. 2:9-11 duiden niet evenveel verschillende talen aan, maar wijzen de landen aan waaruit de vreemdelingen ter gelegenheid van het Pinksterfeest naar Jeruzalem waren gekomen. En al die daar genoemde vreemdelingen verstonden Aramees of Grieks, zodat er aan een toerusting van de apostelen met de gave van de vreemde talen geen behoefte bestond. Trouwens, later vinden we in het Nieuwe Testament nooit meer dat er van deze gave van de vreemde talen enige melding gemaakt wordt. Paulus, de heidenapostel, die die gave dan vóór allen ontvangen zou hebben, spreekt er nooit over. Met Aramees en Grieks kon hij in de toenmalige wereld overal terecht.
Het spreken in vreemde talen op de Pinksterdag vormde dus een op zichzelf staand geval. Het was wel aan de glossolalie verwant, maar daarvan toch een bijzondere soort en een hogere vorm. Terwijl de glossolalie als een verzwakking en vermindering beschouwd moet worden, die daarom door de apostel Paulus ook veel lager wordt geschat dan de profetie, is het talen spreken in Jeruzalem een verbinding van glossolalie en profetie, een verstaanbare verkondiging van Gods grote werken in vreemde talen geweest. De werking van de pas in zijn volheid uitgestorte Geest was toen zo machtig dat ze heel het bewustzijn beheerste en zich uitte in het spreken van gearticuleerde klanken, die door de hoorders als hun eigen landstalen werden herkend. De bedoeling van dit taalwonder was dan ook niet om de leerlingen toe te rusten met de kennis van de vreemde talen, maar om op een buitengewone manier een machtige indruk te geven van het grote feit dat nu had plaatsgevonden. Hoe kon dit beter gebeuren dan door de kleine, pas gestichte wereldkerk in vele talen de grote werken van God te laten verkondigen? Bij de schepping zongen de morgensterren en juichten al Gods kinderen. Bij de geboorte van Christus hief een menigte van de hemelse legers het jubellied van Gods welbehagen aan. Op de geboortedag van de gemeente bezingt zij zelf in allerlei tonen Gods grote werken.











