Pas nadat Christus aan de rechterhand van God verhoogd is, kan daarom de tweede belofte van het Oude Testament in vervulling gaan, die melding maakt van een uitstorting van de Heilige Geest over alle vlees. Christus moet die Geest eerst ten volle voor zichzelf verworven en zijn eigendom gemaakt hebben, voor Hij Hem kan schenken aan zijn gemeente. Vóór die tijd – dat is: vóór de hemelvaart – was de Heilige Geest er nog niet, omdat Christus nog niet verheerlijkt was. Joh. 7:39 Natuurlijk wil dat niet zeggen dat de Heilige Geest vóór de verheerlijking van Christus niet bestond. Want niet alleen is er telkens in het Oude Testament sprake van de Heilige Geest, maar ook verhalen de evangeliën dat Johannes de Doper met de Heilige Geest vervuld was, Luk. 1:15 dat Simeon door de Heilige Geest naar de tempel geleid werd, Luk. 2:26-27 dat Jezus van Hem ontvangen en met Hem gezalfd werd enzovoort. En ook kan de bedoeling niet zijn dat de leerlingen vóór de Pinksterdag niet wisten dat er een Heilige Geest bestond. Want ze waren door het Oude Testament en door Jezus zelf heel anders onderwezen. Zelfs de leerlingen van Johannes, die in Efeze tegen Paulus zeiden dat ze bij hun doop niet alleen de Heilige Geest niet ontvangen hadden, maar ook niet gehoord hadden dat er een Heilige Geest was, Hand. 19:2 kunnen daarmee niet hun onkunde over het bestaan van de Geest te kennen hebben willen geven. Ze bedoelden alleen te zeggen dat ze niets vernomen hadden van een buitengewone werking van de Heilige Geest, dat is van de gebeurtenis op de Pinksterdag. Ze wisten immers dat Johannes een profeet was, die door God gezonden en door zijn Geest bekwaam gemaakt was. Maar ze waren leerlingen van Johannes gebleven, hadden zich niet bij Jezus aangesloten en leefden dus buiten de gemeente die op de Pinksterdag de Heilige Geest ontving. Op deze dag vond er een uitstorting van de Geest plaats zoals nooit eerder gebeurd was.

Het Oude Testament sprak deze belofte al uit en ook Jezus nam die over en kwam er in zijn onderwijs herhaaldelijk op terug. Johannes de Doper zei al over de Messias, die na hem komen zou, dat Hij niet, zoals hijzelf, zou dopen met water, maar met Heilige Geest en vuur (met het reinigende en verterende vuur van de Heilige Geest). Mat. 3:11, Joh. 3:11 En Jezus beloofde in overeenstemming daarmee aan zijn leerlingen dat Hij na zijn verhoging hun van de Vader de Heilige Geest zou zenden, die hen in alle waarheid zou leiden. Daarbij maakt Hij duidelijk onderscheid tussen twee activiteiten van de Heilige Geest. De ene activiteit houdt in dat de Heilige Geest, als die in de harten van de leerlingen is uitgestort, hen zal troosten, hen in de waarheid zal leiden en eeuwig bij hen zal blijven. Joh. 14:16, 15:26, 16:7 Maar deze Geest van de troost en leiding wordt alleen aan de leerlingen van Jezus geschonken. De wereld kan deze Geest niet ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet. Joh. 14:17 Daarentegen oefent de Heilige Geest in de wereld een heel andere activiteit uit, namelijk deze: terwijl Hij in de gemeente woont en vandaaruit op de wereld inwerkt, overtuigt Hij haar van zonde, gerechtigheid en oordeel en stelt Hij haar op alle drie punten in het ongelijk. Joh. 16:8-11
Deze belofte vervult Jezus aan zijn leerlingen in engere zin – dat is aan de apostelen – nog vóór zijn hemelvaart. Toen Hij in de avond van de dag van zijn opstanding voor de eerste keer aan zijn leerlingen verscheen, leidde Hij hen plechtig in in hun apostolische zending, blies Hij op hen en zei: ‘Ontvang de Heilig Geest. Als jullie iemands zonden vergeven, dan worden ze hem vergeven. Als jullie iemands zonden toerekenen, dan worden ze hem toegerekend.’ Joh. 20:22-23 Voor het apostolische ambt, dat ze straks moeten uitoefenen, hebben ze een bijzondere gave en kracht van de Heilige Geest nodig. En die wordt hun nu nog door Christus zelf vóór zijn hemelvaart geschonken, in onderscheid met de gave en kracht die ze straks op de Pinksterdag in gemeenschap met alle gelovigen zullen ontvangen.
De eigenlijke uitstorting vond vijftig dagen later plaats. De Joden vierden toen hun Pinksterfeest, ter herdenking van de volbrachte oogst en van de wetgeving op de Sinaï. De leerlingen wachtten in Jeruzalem de vervulling van Jezus’ belofte af en waren al die tijd in de tempel, waar ze God loofden en dankten. Luk. 24:49, 24:53 Maar ze waren nu niet alleen, maar volhardden eendrachtig in het bidden en smeken, met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers en met vele anderen, in aantal ongeveer honderdtwintig personen. Hand. 1:14-15, 2:1 En terwijl ze zo vergaderd waren, kwam er opeens en onverwacht een geluid, dat van boven, uit de hemel, neerdaalde, op het geruis van een geweldige windvlaag leek en niet alleen het vertrek waar de leerlingen bijeen waren, maar heel het huis vulde en doordrong. En tegelijkertijd vertoonden zich tongen, die er uitzagen als kleine, lichtende vuurvlammen, zich verdeelden boven de hoofden van de vergaderden en daar bleven rusten. Onder deze tekenen, die het reinigende en verlichtende werk van de Heilige Geest voor ogen stelden, vond de uitstorting plaats. Ze werden allen vervuld met de Heilige Geest. Hand. 2:4
Dezelfde uitdrukking komt ook al eerder voor, Ex. 31:3, Micha 3:8, Luk. 1:41 maar het verschil ligt toch voor de hand. Terwijl de Heilige Geest vroeger aan enkele, op zichzelf staande personen, en tijdelijk, voor een bepaald doel, geschonken werd, daalde Hij nu neer op alle leden van de gemeente en blijft Hij nu voortaan in hen allen wonen en werken. Net zoals de Zoon van God in de dagen van het Oude Testament wel meerdere keren op aarde verscheen, maar pas bij de ontvangenis in Maria’s schoot de menselijke natuur blijvend uitkoos als zijn woning, zo was er ook vroeger wel allerlei activiteit en gave van de Heilige Geest, maar pas op de Pinksterdag maakt Hij de gemeente zijn tempel, die Hij voortdurend heiligt en opbouwt en nooit meer verlaat. Het inwonen van de Heilige Geest geeft aan de gemeente van Christus een zelfstandig bestaan. Ze is nu niet meer tot het volksbestaan van Israël en binnen de grenzen van Palestina beperkt, maar ze leeft nu zelfstandig door de Geest, die in haar woont, en breidt zich over heel de aarde uit. Uit de tempel op Sion gaat God door zijn Geest nu wonen in het lichaam van de gemeente van Christus. En de gemeente wordt daardoor op deze zelfde dag geboren als zendingskerk en wereldkerk. De hemelvaart van Christus heeft noodzakelijk het neerdalen van de Heilige Geest tot gevolg en bewijst daarin haar echtheid. Zoals de Geest eerst de Christus door het lijden heen geheiligd, volmaakt, tot de hoogste hoogte opgevoerd heeft, zo hoort Hij nu op dezelfde manier en langs dezelfde weg het lichaam van Christus te vormen, totdat het zijn volle bloei verkrijgt en de vervulling, het pleroma, uitmaakt van Hem die alles in allen vervult.























