18.9 – Christus als koning

0
7

Ook het koninklijk ambt blijft Christus na zijn opstanding in de hemelen uitoefenen. Hierover kan nog minder verschil van mening bestaan, omdat Christus door zijn opstanding en hemelvaart verhoogd is tot een Heer en Christus, tot een Vorst (Leidsman) en Zaligmaker, door de Vader gezet is aan zijn rechterhand op de troon en een naam ontvangen heeft boven elke naam. Hand. 2:36, 5:31, Fil. 2:9-11, Heb. 1:3-4 Het koningschap van Christus komt in zijn verhoging veel helderder aan het licht dan in zijn vernedering.

Maar in dit koningschap maakt de Heilige Schrift een duidelijk onderscheid. Er is een koningschap van Christus over Sion, over zijn volk, over de gemeente Ps. 2:6, 72:2-7, Jes. 9:5, 11:1-5, Luk. 1:33, Joh. 18:33 en er is ook een koningschap dat Hij uitoefent over al zijn vijanden. Ps. 2:8-9, 72:8, 110:1-2, Mat. 28:18, 1 Kor. 15:25-27, Op. 1:5, 17:14 enz. Het eerste is een koningschap van de genade en het andere een koningschap van de macht. In relatie tot de gemeente wisselt de naam Koning in het Nieuwe Testament heel vaak af met die van Hoofd. Christus staat tot de gemeente, die Hij kocht met zijn bloed, in zo’n innige relatie dat één enkele naam niet genoeg is om ons een idee te laten krijgen van wat die relatie inhoudt. En dus gebruikt de Schrift dan allerlei beelden om ons iets te laten verstaan van wat Christus voor zijn gemeente is. Wat de bruidegom is voor zijn bruid, Joh. 3:29, Op. 21:2 de man voor zijn vrouw, Ef. 5:25, Op. 21:9 de eerstgeborene voor zijn broers, Rom. 8:29, Heb. 2:11 de hoeksteen voor het gebouw, Mat. 21:42, Hand. 4:11, 1 Pet. 2:4-8 de wijnstok voor de ranken, Joh. 15:1-2 het hoofd voor het lichaam, dat alles en nog veel meer is Christus voor zijn gemeente.

Vooral het laatste beeld komt herhaaldelijk voor. Jezus zegt zelf dat het woord van Psalm 118:22 in Hem is vervuld: de steen die de bouwlieden verworpen hebben, is een hoeksteen geworden. Mat. 21:42 Zoals de hoeksteen dient om de muren van een gebouw samen te binden en te bevestigen, zo is Christus, hoewel door de Joden verworpen, door God uitverkoren als een hoeksteen, opdat de theocratie, de regering van God over zijn volk, in Hem haar verwezenlijking zou verkrijgen. De apostel Petrus herhaalt deze gedachte al in Handelingen 4:11, maar werkt die in zijn eerste brief nog verder uit, door ze niet alleen vast te knopen aan Psalm 118:22, maar ook aan Jesaja 28:16. Hij stelt Christus voor als de levende steen, die door God in Sion is gelegd en waaraan de gelovigen als levende stenen worden toegevoegd. 1 Pet. 2:4-6 En Paulus ontwikkelt het beeld in de zin dat de gemeente gebouwd is op het fundament dat door apostelen en profeten in hun evangelieprediking is gelegd en dat nu Christus zelf de hoeksteen is van het gebouw van de gemeente, dat op dat fundament is verrezen. Ef. 2:20 Elders heet Christus zelf het fundament van de gemeente. 1 Kor. 3:10 Maar hier heet Hij de hoeksteen. Ef. 2:20 Want zoals het gebouw zijn stevigheid heeft in de hoeksteen, zo blijft de gemeente alleen overeind in de levende Christus.

Maar het beeld van een gebouw was toch nog onvoldoende om de innigheid van de vereniging tussen Christus en zijn gemeente uit te drukken. Tussen een hoeksteen en de muren van een gebouw bestaat slechts een kunstmatig verband, maar de eenheid van Christus en zijn gemeente is een band van het leven. Jezus sprak daarom niet alleen over zichzelf als de steen die door God verheven was tot hoeksteen, maar ook als de wijnstok, die uit zichzelf de ranken voortbrengt en ze voedt met zijn sappen. Joh. 15:1-2 Petrus waagt het om te spreken over levende stenen en Paulus heeft het niet alleen over een tempel die opgroeit en van een lichaam dat gebouwd wordt, Ef. 2:21, 4:12 maar stelt Christus herhaaldelijk voor als het hoofd van het lichaam van de gemeente.

Elke plaatselijke gemeente is een lichaam van Christus en de leden van de gemeente staan tot elkaar in verhouding als leden van hetzelfde lichaam, die allemaal elkaar nodig hebben en dienen moeten. Rom. 12:4-5, 1 Kor. 12:12-27 Maar ook de gemeente van Christus in haar geheel is zijn lichaam, waarover Hij door zijn opstanding en hemelvaart als een hoofd verheven is. Ef. 1:22-23, 4:15-16, 5:23, Kol. 1:18, 2:19 Als zodanig is Hij het levensprincipe van de gemeente. Hij schenkt haar het leven bij het begin, maar verder voedt, verzorgt, bewaart en beschermt Hij dat leven ook. Hij laat de gemeente groeien en bloeien, Hij laat elk van de leden tot zijn volle bloei komen en Hij bindt ze ook allemaal samen en laat ze werken tot nut van elkaar. Kortom, Hij vervult de gemeente tot de volheid van God.

In de dagen van de apostel Paulus waren er dwaalleraars die zeiden dat er uit de diepten van het goddelijk wezen in dalende reeks allerlei geestelijke lichtwezens voortvloeiden, die samen zijn volheid (pleroma) uitmaakten. Maar Paulus stelt daartegenover dat heel Gods volheid uitsluitend in Christus woont en wel lichamelijk. Kol. 1:19, 2:9, vg. Joh. 1:14, 1:16 En deze volheid laat Christus op zijn beurt in de gemeente wonen, die zijn lichaam is en de vervulling (de volheid, het door Christus gevulde lichaam) is van Hem die alles in allen vervult. Ef. 1:23 Er is in de gemeente niets, geen gave, geen kracht, geen ambt, geen bediening, geen geloof, geen hoop, geen liefde, geen heil en geen zaligheid, of het komt haar toe uit Christus. En met deze vervulling (volmaking) Kol. 2:10 gaat Christus door, totdat de gemeente, in haar geheel en in al haar leden, volkomen vervuld is tot de volheid van God toe. Joh. 1:16, Ef. 3:19, 4:13 Dan zal de gemeente volkomen gevormd zijn en God alles in allen zijn. 1 Kor. 15:28

Maar Christus wordt ook nog in een andere zin hoofd genoemd. Paulus zegt dat Christus het hoofd is van elke man. 1 Kor. 11:3 Ook noemt hij Hem het hoofd van alle overheid en macht, Kol. 2:10 dat is van alle engelen, omdat Hij de eerstgeborene is van heel de schepping. Kol. 1:15 En hij spreekt over Gods voornemen om in de volheid van de tijd alles bijeen te brengen in Christus (het Griekse woord betekent: onder een hoofd samenvatten, recapituleren), alles wat in de hemel en op de aarde is. Ef. 1:10 Het is echter duidelijk dat de benaming hoofd hier een andere betekenis heeft dan wanneer Christus het hoofd van zijn gemeente heet. In het laatste geval denkt Paulus vooral aan de organische verhouding, aan het levensverband, waarin Christus tot zijn gemeente staat. Maar als Christus het hoofd van de man, van de engelen of van de wereld genoemd wordt, dan staat daarbij het idee van soeverein en koning op de voorgrond. Alle schepselen zijn zonder uitzondering aan Christus ondergeschikt, zoals Hij zelf als Middelaar ondergeschikt is aan de Vader. 1 Kor. 11:3 Terwijl Hij een koningschap van de genade uitoefent over zijn gemeente en daarom dikwijls haar hoofd wordt genoemd, is Hij bekleed met een koningschap van de macht over alle schepselen en wordt Hij in die verhouding zelden hoofd, maar heel vaak Koning en Heer genoemd. Hij is de Koning der koningen en de Heer der heren, de Overste van alle koningen van de aarde en zal als koning heersen, totdat alle vijanden onder zijn voeten gelegd zijn. 1 Kor. 15:25, 1 Tim. 6:15, Op. 1:5, 17:14, 19:16

Dit koningschap van de macht mag niet vereenzelvigd worden met de absolute heerschappij die Christus volgens zijn goddelijke natuur gemeen heeft met de Vader en de Geest. De almacht die de Zoon van eeuwigheid toekomt, is onderscheiden van alle macht waarvan Christus spreekt in Mattheüs 28:18 en die Hem speciaal als Middelaar, volgens beide naturen, verleend is. Als Middelaar moet Christus immers zijn gemeente bijeenbrengen, regeren en beschermen. En alleen al om dat te kunnen doen, moet Hij machtiger zijn dan al zijn en haar vijanden. Maar dit is toch niet de enige reden waarom het koningschap van de macht aan Christus geschonken is. Er komt nog een andere reden bij: Hij moet ook als Middelaar triomferen over al zijn vijanden. Hij gaat hen niet tegemoet en verslaat hen niet door zijn goddelijke almacht, maar Hij toont hun de macht die Hij door zijn lijden en sterven verworven heeft. De strijd tussen God en zijn schepsel is een strijd van recht en gerechtigheid. Zoals de gemeente langs de weg van het recht verlost wordt, zo zullen ook de vijanden van Christus eens langs de weg van het recht veroordeeld worden. God zal tegenover hen niet, zoals Hij doen kon, van zijn almacht gebruik maken, maar Hij zal over hen triomferen door het kruis. Kol. 2:15 Als God zijn vijanden met zijn almacht achtervolgde, zouden ze geen ogenblik kunnen bestaan. Maar Hij laat hen geboren worden en leven, generatie na generatie en eeuw na eeuw, Hij overlaadt hen met zijn weldaden en schenkt hun alle gaven die ze wat betreft hun lichaam en ziel bezitten, maar die zij van hun kant tegen zijn naam misbruiken. God kan dit alles doen en doet dit alles, omdat Christus Middelaar is. Al zijn Hem nu nog niet alle dingen onderworpen, Hij is toch met eer en heerlijkheid gekroond en Hij zal zolang als koning heersen totdat alle vijanden zich huichelend aan Hem onderworpen zullen hebben. Ten slotte zal ieder aan het einde van de tijden, als hij heel de wereldgeschiedenis en vooral die van zijn eigen leven overziet en daarin alles opmerkt wat God hem omwille van de Middelaar aan materiële en geestelijke gaven geschonken heeft – ten slotte zal ieder dan in zijn eigen geweten Christus gelijk moeten geven. In zijn naam zal eens, gewillig of onwillig, elke knie zich buigen en elke tong zal belijden dat Christus de Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader. Fil. 2:10-11 Christus zal ook eenmaal als de Menzenzoon het eindoordeel uitspreken over elk schepsel. En Hij zal niemand veroordelen dan wie ook door de Heilige Geest in zijn eigen geweten veroordeeld is. Joh. 3:18, 16:8-11

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in