18.8 – Christus als priester

0
9

Wat voor het profetisch ambt van Christus geldt, is ook van toepassing op zijn priesterlijk ambt. Hij ontving dit niet voor een tijd, maar oefent het uit in eeuwigheid. In het Oude Testament werd dit eeuwige karakter van het priesterschap afgeschaduwd in de afzondering van het huis van Aäron en de stam van Levi voor de dienst in de tempel. De specifieke personen die die dienst vervulden, stierven wel, maar werden meteen door anderen vervangen. Het priesterschap bleef. De toekomstige Messias zou echter geen gewone priester zijn, die diende voor een tijd en daarna voor een ander plaatsmaakte. Nee, Hij zou priester zijn in eeuwigheid, volgens de orde van Melchizedek. Ps. 110:4 In onderscheid met de afstammelingen van Aäron en Levi, die vele priesters werden, omdat ze door de dood verhinderd werden altijd priester te blijven, Heb. 7:24 geeft Melchizedek in zijn geheimzinnige persoonlijkheid ons een beeld te zien van de eeuwige duur van Christus’ hogepriesterschap. Hij is immers tegelijk een koning van de gerechtigheid en van de vrede en staat in de geschiedenis van de openbaring geheel op zichzelf, zonder dat er enige melding gemaakt wordt van zijn afkomst, van zijn geboorte en zijn dood. In typische zin werd hij daardoor gelijkgemaakt aan de Zoon van God en bleef hij een priester in eeuwigheid. Heb. 7:3

Maar wat Melchizedek slechts was als voorbeeld, dat is Christus in werkelijkheid. Christus kon in volle zin een eeuwige hogepriester zijn, omdat Hij de Zoon van God was, die al van eeuwigheid bestond. Heb. 1:2-3 Al offerde Hij zichzelf op aarde en in de tijd, Hij was toch van boven, behoorde in zijn wezen tot de eeuwigheid en kon zich daarom ook in de tijd opofferen door de eeuwige Geest. Heb. 9:14 Voor zover Christus als de Zoon van God van eeuwigheid bereid was om in de wereld te komen en Gods wil te volbrengen, Heb. 10:5-9 was Hij ook al een priester van eeuwigheid. Met het oog op het volbrengen van die wil van God in de dagen van zijn vlees kun je zeggen dat het priesterschap van Christus op aarde begon. Heb. 2:17, 5:10, 6:20, 7:26-28 En dat priesterschap op aarde was weer een middel en een weg voor Christus om door zijn opstanding en hemelvaart hogepriester in het hemelse heiligdom te worden en dat in eeuwigheid te blijven. Het is een eigenaardige gedachte van de brief aan de Hebreeën dat het leven en het werk van Christus op aarde niet als een einddoel beschouwd moet worden, maar als een voorbereiding voor zijn eeuwige, priesterlijke dienst in de hemel.

Sommigen hebben hieruit afgeleid dat Christus volgens deze brief eigenlijk op aarde nog helemaal geen priester was, maar zijn priesterschap pas aanvaardde toen hij opvoer naar de hemel en het binnenste heiligdom binnenging. En ze baseren deze mening vooral op dat Christus op aarde geen priester was, omdat er hier overeenkomstig de wet priesters waren die tot de stam van Levi behoorden en volgens de wet gaven offerden, terwijl Christus niet uit Levi maar uit Juda afkomstig was en ook nooit als een priester in de tempel in Jeruzalem gaven offerde. Heb. 7:14, 8:4 Als Christus dus toch priester was, dan kon Hij het alleen in de hemel zijn en moest Hij daar iets hebben om te offeren. Heb. 8:3 En wat Hij daar dan offert, is zijn eigen bloed, waarmee Hij het hemelse heiligdom binnenging. Heb. 9:11-12

Maar deze conclusie is toch zonder twijfel onjuist. Want net als alle andere apostolische geschriften legt ook deze brief aan de Hebreeën er zeer sterk de nadruk op dat Christus zich éénmaal, namelijk aan het kruis, heeft opgeofferd en daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht heeft. Heb. 7:27, 9:12, 9:26, 9:28, 10:10-14 De vergeving van de zonden, deze grote weldaad van het Nieuwe Verbond, is door dat offer volledig verworven en het Nieuwe Testament, dat gesticht werd in zijn bloed, maakte aan het Oude Verbond een einde. Heb. 4:16, 8:6-13, 9:14-22 Zonde, dood en duivel zijn door zijn offer tenietgedaan Heb. 2:14, 7:27, 9:26, 9:28 en door zijn bloed heeft Hij allen die Hem gehoorzaam zijn, geheiligd en volmaakt. Heb. 10:10, 10:14, 13:12 Juist omdat Christus dit ene volmaakte offer aan het kruis heeft gebracht, kan Hij als Hogepriester plaatsnemen aan Gods rechterhand. Heb. 8:1 Hij lijdt en Hij sterft daar niet meer, maar zit als een overwinnaar op de troon. Heb. 1:3, 1:13, 2:8-9, 10:12 En een hoofdzaak, een kernpunt in de argumentatie van de apostel is juist dat we zo’n hogepriester hebben, die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de majesteit in de hemelen. Heb. 8:1 Van een offeren zoals Christus dat op aarde deed, kan nu in de hemel geen sprake meer zijn.

En toch, Christus is en blijft in de hemel hogepriester. Als zodanig is Hij door God aan zijn rechterhand gezet. Ja, in zekere zin kun je met deze brief zeggen dat Hij daar pas hogepriester geworden is volgens de orde van Melchizedek en zijn eeuwig priesterschap heeft aanvaard. Heb. 2:17, 5:10, 6:20 Heel het aardse leven van Christus is een voorbereiding geweest, opdat Hij nu in de hemel als eeuwige hogepriester ten behoeve van ons actief zou kunnen zijn. Immers, Hij was wel de Zoon en moest dat zijn om onze hogepriester te kunnen worden, Heb. 1:3, 3:6, 5:5 maar dat was toch niet genoeg. Hoewel Hij de Zoon was, moest Hij gehoorzaamheid leren uit het lijden. Heb. 5:8 De gehoorzaamheid die Hij als de Zoon bezat, Heb. 10:5-7 moest Hij hier op aarde als mens in zijn lijden tonen, om zo onze hogepriester te kunnen worden. Heb. 2:10 e.v., 4:15, 5:7-10, 7:28 Al het lijden dat Christus overkomen is, de verzoekingen waaraan Hij heeft blootgestaan, de dood waaraan Hij onderworpen is, alles heeft in Gods hand gediend als een middel om Christus te heiligen en te volmaken voor de priesterlijke dienst die Hij nu in de hemel voor Gods aangezicht te vervullen heeft. Natuurlijk moeten we deze heiliging en volmaking van de Christus niet opvatten in morele zin, alsof Hij pas langzamerhand door strijd gehoorzaam geworden is. Nee, de apostel denkt daarbij aan een heiliging in stellige en ambtelijke zin. Christus moest zijn gehoorzaamheid als Zoon tegenover alle verzoeking handhaven en zich daardoor tegelijk volkomen toerusten voor het eeuwige hogepriesterschap in de hemel.

Langs de weg van de gehoorzaamheid heeft Christus dit hogepriesterschap aan Gods rechterhand op de troon van de majesteit ook volkomen verkregen. Op grond van zijn lijden en sterven, op grond van het ene volmaakte offer is Hij nu gezeten aan de rechterhand van de majesteit in de hoogste hemelen. Hij is (niet: met, maar) door zijn eigen bloed eenmaal binnengegaan in het heiligdom Heb. 9:12 en is daar nu, in de ware, door God zelf gebouwde tabernakel actief als bedienaar (liturg). Heb. 8:2 Nu is Hij pas ten volle, eeuwig priester volgens de orde van Melchizedek. Heb. 5:10, 6:20 Zoals de hogepriester in het Oude Testament eenmaal per jaar op de grote verzoendag met het bloed van de voor hemzelf geslachte en met het bloed van de voor het volk geslachte bok het heilige der heiligen binnenging om het te sprenkelen op en vóór het verzoendeksel, zo heeft Christus door het bloed van zijn kruisoffer voor zichzelf de weg ontsloten naar het ware heiligdom in de hemel. Heb. 9:12 Hij neemt het bloed dat Hij stortte op Golgotha niet in letterlijke zin mee naar de hemel en ook offert en sprenkelt Hij het daar niet in eigenlijke zin. Maar door zijn eigen bloed gaat Hij de ware tabernakel binnen. Hij keert nu in de hemel terug als gestorven en opgewekte Christus, als de Christus die dood is geweest, maar nu levend is in alle eeuwigheid Op. 1:18 en staat als het geslachte Lam in het midden van de troon. Op. 5:6 Hij is nu in zijn persoon het zoenmiddel, de verzoening, voor onze zonden en voor de hele wereld. 1 Joh. 2:2

Zo houdt zijn hogepriesterlijke dienst in de hemel dus in dat Hij daar voor Gods aangezicht verschijnt ten behoeve van ons, Heb. 9:24 zich in alle dingen die er bij God te doen zijn om de zonden van het volk te verzoenen, een barmhartige en trouwe hogepriester betoond, Heb. 2:17 degenen die verzocht worden te hulp komt Heb. 2:18, 4:15 en vele kinderen naar de heerlijkheid leidt. Heb. 2:10 Langs de weg van de gehoorzaamheid is Hij zelf een Leidsman geworden voor allen die door Hem naar God gaan. Hij is de Leidsman van hun geloof, want Hij heeft zelf het geloof beoefend en kan anderen daarom tot dat geloof brengen en dat geloof bewaren tot het einde toe. Heb. 12:2 Hij is de Leidsman van hun leven (in het Grieks staat hier hetzelfde woord dat in Hebreeën met Leidsman is vertaald), Hand. 3:15 omdat Hij dat leven eerst zelf door zijn sterven verworven heeft en nu aan anderen kan schenken. Hij is de Leidsman van hun zaligheid, Heb. 2:10 omdat Hij de weg van de zaligheid zelf gebaand en bewandeld heeft en dus anderen daarop kan leiden en het heiligdom kan binnenbrengen. Heb. 10:20

Altijd en in alle dingen is Christus dus onze voorspraak bij de Vader. Zoals Hij op aarde voor zijn leerlingen Luk. 22:23 en voor zijn vijanden bad Luk. 23:34 en in het hogepriesterlijk gebed heel zijn gemeente aan de Vader opdroeg, Joh. 17 zo gaat Hij met deze voorbede in de hemel voor al de zijnen door. Zeker mogen we dit niet zo opvatten alsof Christus in de hemel als een smekeling voor zijn Vader op de knieën ligt, om Hem tot barmhartigheid te bewegen. Want de Vader zelf heeft ons lief en gaf ons zijn Zoon als bewijs van deze liefde. Maar wel ligt erin uitgedrukt dat deze liefde van de Vader ons nooit anders geschonken wordt dan in de Zoon, die gehoorzaam is geweest tot de kruisdood toe. De voorbede van Christus is dus geen smeekbede om genade, maar de uiting van een krachtige wil, Joh. 17:24 de eis van de Zoon dat Hem de heidenen gegeven worden als zijn erfdeel en de einden van de aarde als zijn bezit. Ps. 2:8 Het is de gekruisigde en verheerlijkte Christus, het is de eigen Zoon van de Vader, die gehoorzaam was, maar ook verhoogd werd op de troon van de majesteit, het is de barmhartige en trouwe hogepriester, die zichzelf voor deze dienst in de hemel heiligde en volmaakte, door wie de voorbede naar de Vader wordt opgezonden.

Tegenover alle aanklachten, die wet, satan en ons eigen hart tegen ons kunnen inbrengen, neemt Hij onze verdediging op zich. Heb. 7:25, 1 Joh. 2:2 Hij komt ons te hulp in al onze verzoekingen. Hij heeft medelijden met al onze zwakheden. Hij reinigt onze gewetens. Hij heiligt en zaligt volkomen al degenen die door Hem naar God gaan. Hij bereidt voor hen een plaats in het vaderhuis, waar vele woningen zijn en dus plaats is voor velen, Joh. 14:2-3 en bewaart voor hen de hemelse erfenis. 1 Pet. 1:4 Zo hebben de gelovigen dus niets te vrezen. Ze mogen met vrijmoedigheid naar de troon van de genade gaan Heb. 4:16, 10:22 en hebben zelf van Christus uit de hemel de Geest van de aanneming als kinderen ontvangen, die in hen ‘Abba, Vader’ roept en de liefde van God in hun harten uitstort. Rom. 5:5, 8:15 Zoals Christus hun voorspraak bij de Vader in de hemelen is, zo is de Heilige Geest de voorspraak van de Vader in hun harten. Joh. 14:16, 14:26, 15:26, 16:7 Een hoofdzaak in onze christelijke belijdenis is dat we zo’n hogepriester hebben, die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de majesteit in de hemelen. Heb. 8:1 Een priester, een offer, een altaar en een tempel hebben we op aarde dus niet meer nodig.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in