In deze staat van verhoging zet Christus het werk voort dat Hij op aarde begon. Zeker, er is een groot verschil tussen het werk dat Christus in zijn vernedering tot stand bracht en dat het werk dat Hij uitvoert in zijn verhoging. Zoals zijn persoon in een andere gedaante verschijnt, zo neemt ook zijn werk een andere vorm en een andere gedaante aan. Na zijn opstanding is Hij geen dienaar meer, maar een Heer en Vorst. En zo is zijn werk nu geen offer van gehoorzaamheid meer, dat Hij volmaakt gebracht heeft aan het kruis, maar het middelaarswerk van Christus blijft toch in een andere vorm doorgaan. Hij is bij zijn hemelvaart niet binnengegaan in een lege rust – de Zoon werkt immers net als de Vader altijd door Joh. 5:17 – maar Hij past nu de volheid van zijn verworven weldaden toe op zijn gemeente. Zoals Christus door zijn lijden en sterven in de opstanding en hemelvaart verheven is tot het Hoofd van de gemeente, zo moet nu die gemeente gevormd worden tot het lichaam van Christus en vervuld worden tot heel de volheid van God. Het middelaarswerk is één groot, machtig, goddelijk werk, dat in de eeuwigheid begon en tot in de eeuwigheid doorgaat. Maar het is bij het moment van de opstanding in twee helften verdeeld. Tot op dat ogenblik toe had de vernedering van Christus plaats, van dat ogenblik af begon zijn verhoging. En beide zijn voor het werk van de zaligheid even onmisbaar.

Zo bleef Christus dan ook in de staat van de verhoging actief als profeet, priester en koning. Als zodanig was Hij al van eeuwigheid gezalfd. Deze ambtelijke werkzaamheden had Hij uitgeoefend in de staat van zijn vernedering. En in gewijzigde zin gaat Hij daar ook in de hemel mee door.
Dat Hij ook na zijn opstanding nog profeet bleef, wordt meteen duidelijk uit de prediking die Hij tot aan de hemelvaart toe nog telkens voor zijn leerlingen hield. De veertig dagen die Jezus na zijn opstanding nog op aarde bleef, vormen een belangrijk deel van zijn leven en van zijn onderwijs. Er wordt hier gewoonlijk niet genoeg aandacht aan gewijd. Maar zodra we nauwkeurig nagaan wat Jezus in die veertig dagen deed en sprak, komen we spoedig tot het inzicht dat die een heel nieuw licht verspreiden over zijn persoon en over zijn werk. Natuurlijk beseffen wij dit niet zo diep als de apostelen, omdat wij na hen leven en hun onderwijs genoten hebben. Maar de leerlingen, die met Jezus omgegaan waren en in zijn dood haast alle hoop verloren hadden, zijn in die korte tijd heel andere mensen geworden en hebben Jezus’ persoon en werk leren verstaan zoals dat eerder niet mogelijk was.
De opstanding zelf wierp als feit al zo’n een verrassend licht over de dood en over heel het voorafgaand leven van Christus. Maar het heilsfeit bleef ook hier niet op zichzelf staan. Zoals het voorafgegaan werd, zo werd het ook nu vergezeld en gevolgd door het heilswoord. De engelen bij het graf verkondigden al meteen aan de vrouwen die Jezus zochten dat Hij daar niet was, maar overeenkomstig zijn eigen zeggen was opgestaan. Mat. 28:5-6 En Jezus zelf maakte aan de Emmaüsgangers duidelijk dat de Christus moest lijden en zo zijn heerlijkheid moest binnengaan en toonde hun dit aan uit alles wat in de Schriften over Hem geschreven stond. Luk. 24:26-27, vg. 24:44-47
De leerlingen leren Hem nu ook in een andere gedaante kennen dan waarin Hij vroeger met hen rondwandelde. Hij is nu niet meer de nederige Mensenzoon, die niet gekomen is om te dienen, maar om gediend te worden en zijn ziel te geven als een losprijs voor velen. Hij heeft de slavengestalte afgelegd en vertoont zich in een gedaante van heerlijkheid en macht. Hij behoort nu tot een andere wereld. Hij gaat naar zijn Vader, terwijl de leerlingen nog hier moeten blijven en nog een roeping hebben te vervullen op aarde. De vroegere vertrouwelijke omgang keert niet meer terug. Wel zal er straks een andere en nog inniger gemeenschap tussen Jezus en zijn leerlingen tot stand komen, zodat ze dan zullen begrijpen dat het nuttig voor hen was dat Jezus wegging. Maar dat zal een gemeenschap zijn in de Geest, die in alle opzichten verschilt van de gemeenschap die ze vroeger met Jezus genoten. En nu na de opstanding openbaart Jezus zich in zo’n grote heerlijkheid en wijsheid aan zijn leerlingen dat Thomas tot de belijdenis komt die eerder nooit door een leerling was uitgesproken, namelijk dat Jezus zijn Heer en zijn God was. Joh. 20:28
Verder verspreidde Jezus in deze veertig dagen niet alleen licht over zijn eigen persoon en werk, maar Hij verklaart ook duidelijker wat de roeping en de taak van zijn leerlingen is. Toen Jezus begraven was en alles afgelopen scheen, vormde zich bij de leerlingen misschien wel het plan om in stilte naar Galilea terug te keren en het vroegere beroep weer op te vatten. Maar ze hoorden op de derde dag van verschijningen die hadden plaatsgevonden, aan Maria Magdalena en de andere Maria, Mat. 28:1, 28:9, Joh. 20:14 e.v. aan Petrus, Luk. 24:34, 1 Kor. 15:5 aan de Emmaüsgangers, Luk. 24:13 e.v. en bleven toen nog een tijdlang in Jeruzalem. Op de avond van diezelfde dag werden de leerlingen zonder Thomas nog een verschijning waardig gekeurd en acht dagen later ontvingen ze weer een verschijning, maar nu in aanwezigheid van Thomas. Daarna volgden ze Jezus, die hun voorgegaan was naar Galilea, Mat. 28:10 en hier vonden weer verschillende verschijningen plaats. Luk. 24:44 e.v., Joh. 21 Maar tegelijk gaf Hij hun de opdracht naar Jeruzalem terug te keren en getuigen te zijn van zijn hemelvaart.
Bij al deze verschijningen ontvouwde Hij nu voor de leerlingen wat hun toekomstige roeping was. Ze moesten niet terugkeren naar hun vroegere beroep, maar moesten als zijn getuigen optreden en in zijn naam bekering en vergeving van de zonden prediken, onder alle volken, te beginnen in Jeruzalem. Mat. 28:19, Mar. 16:15, Luk. 24:47-48, Hand. 1:8 De apostelen ontvangen dus allerlei bevelen, Hand. 1:2 ze worden onderwezen over de dingen van Gods koninkrijk, Hand. 1:3 hun macht wordt omschreven Joh. 20:21-23, 21:15-17 en de verkondiging van het evangelie aan alle schepselen wordt hun op het hart gebonden. Zo weten ze dan nu wat hun te doen staat. Ze moesten om te beginnen in Jeruzalem blijven, totdat ze bekleed zijn met kracht uit de hoogte Luk. 24:49, Hand. 1:4-5, 1:8 en daarna als zijn getuigen optreden, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde. Hand. 1:8
Heel dit onderwijs van de veertig dagen trekt zich samen in de laatste woorden die Jezus tot zijn leerlingen sprak. Mat. 28:18-20 Daar zegt Hij eerst dat Hem alle macht gegeven is in hemel en op aarde. Weliswaar had Hij die macht ook vroeger al ontvangen, Mat. 11:27 maar Hij neemt die nu op grond van zijn verdiensten in bezit en gaat die gebruiken om de weldaden die Hij verwierf uit te delen aan de gemeente die Hij kocht met zijn bloed. Op grond van die volkomen macht draagt Hij vervolgens aan zijn apostelen op om alle volken zijn leerlingen te maken, door hen te dopen in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest en door hen te leren alles in acht te nemen wat Hij hun geboden heeft. Omdat Hem alle macht gegeven is in hemel en op aarde, maakt Jezus er aanspraak op dat alle volken zijn leerlingen worden. En Hij erkent als zijn leerlingen degenen die door de doop zijn opgenomen in de gemeenschap met de God die zich in zijn voltooide openbaring heeft laten kennen als Vader, Zoon en Geest en nu verder wandelen in zijn geboden. En ter bemoediging voegt Hij er ten slotte aan toe dat Hij alle dagen met hen zal zijn, tot aan de voltooiing van de wereld. Lichamelijk verlaat Hij hen, geestelijk blijft Hij bij hen, zodat zij het niet zijn, maar Hij het is die door hun woord zijn gemeente bijeenbrengt, regeert en beschermt.
Ook na zijn hemelvaart blijft Christus daarom steeds als profeet actief. De prediking van de apostelen, zowel mondeling als schriftelijk in hun brieven, sluit bij het onderwijs van Jezus aan. Niet alleen echter bij het onderwijs dat Jezus vóór zijn sterven gaf, maar ook bij het onderwijs dat Hij hun toedeelde in de veertig dagen tussen zijn opstanding en hemelvaart.
Dit laatste mag niet over het hoofd worden gezien. Pas daardoor wordt het verklaarbaar dat alle apostelen vanaf het begin in de overtuiging stonden dat Christus niet alleen gestorven was, maar ook door God was opgewekt en aan zijn rechterhand tot Heer en Christus, Vorst en Zaligmaker verhoogd was en dat met name in de liefde van de Vader, de genade van de Zoon en de gemeenschap met de Heilige Geest al het heil voor de zondaar besloten lag.
Maar de verkondiging van de apostelen sluit niet alleen bij Jezus’ onderwijs aan, ze is er ook de verklaring en de uitbreiding van. Jezus zette zelf door zijn Geest in de harten van de apostelen zijn profetische werk voort. Door de Geest van de waarheid leidde Hij hen in heel de waarheid. Want die Geest sprak niet van zichzelf, maar getuigde van Christus, herinnerde hen aan wat Hij hun gezegd had en verkondigde hun ook de toekomstige dingen. Joh. 14:26, 15:26, 16:13 Zo werden de apostelen bekwaam gemaakt om de Heilige Schrift van het Nieuwe Testament tot stand te brengen, die verbonden met de boeken van het Oude Verbond voor de gemeente van alle eeuwen een licht is op haar pad en een lamp voor haar voet. Het is Christus zelf die dit Woord aan zijn gemeente schonk en door dat Woord voortdurend zijn profetisch ambt op aarde uitvoert. Hij bewaart en verbreidt het, Hij legt het uit en verklaart het. Dat woord is het instrument waardoor Hij de volken zijn leerlingen maakt, ze inlijft in de gemeenschap met de drie-enige God en ze laat wandelen in zijn geboden. Door zijn Woord en zijn Geest is Christus nog altijd met ons, tot aan de voltooiing van de wereld.





















