18.6 – Christus’ hemelvaart

0
21

De opstanding is het begin van Jezus’ verhoging en wordt na veertig dagen gevolgd door de hemelvaart. Die gebeurtenis wordt slechts met korte woorden verhaald. Mar. 16:19, Luk. 24:51, Hand. 1:1-12 Maar ze werd door Christus voorspeld Mat. 26:64, Joh. 6:62, 13:3, 13:33, 14:28, 16:5, 16:10, 16:17, 16:28 en vormt een onderdeel van de apostolische prediking. Hand. 2:33, 3:21, 5:31, 7:55-56, Ef. 4:10, Fil. 2:9, 3:20, 1 Thes. 1:10, 4:14-16, 1 Tim. 3:16, 1 Pet. 3:22, Heb. 4:14, 6:20, 9:24, Op. 1:13 enz. Overal gaan de apostelen uit van de gedachte dat Christus nu volgens zijn menselijke natuur, zowel wat betreft zijn lichaam als wat betreft zijn ziel, in de hemel is. Trouwens, de veertig dagen die Christus na zijn opstanding nog op aarde doorbracht, waren al een voorbereiding op en een overgang naar zijn hemelvaart. Uit alles bleek dat Hij niet meer tot de aarde behoorde. Zijn gedaante was een andere dan vóór zijn dood. Hij verscheen en verdween op een geheimzinnige manier. De leerlingen voelden dat de verhouding waarin ze nu tot Hem stonden, heel veel verschilde van de vroegere omgang. Zijn leven behoorde niet meer aan de aarde, maar aan de hemel toe.

In de hemelvaart wordt Hij dan ook niet onzichtbaar door een proces van vergeestelijking of vergoddelijking, maar verandert Hij van plaats. Hij was op aarde en Hij ging naar de hemel. Hij voer op van een bepaalde plaats, de Olijfberg, die slechts een kwartier verwijderd is van Jeruzalem en in de richting van Bethanië ligt. Luk. 24:50, Hand. 1:12 Voordat Hij van zijn leerlingen scheidde, zegende Hij hen. Zegenend verlaat Hij de aarde en zegenend vaart Hij op naar de hemel. Zó was Hij gekomen, zó had Hij geleefd, zó ging Hij nu weer heen. Hij omvat zelf alle zegeningen van God, Hij is de verwerver, de bezitter en de uitdeler ervan. Ef. 1:3

De hemelvaart was daarom ook zijn eigen daad. Hij had er het recht en de macht toe. Hij voer zelf op door zijn eigen kracht. Joh. 3:13, 20:17, Ef. 4:8-10, 1 Pet. 3:22 Zijn hemelvaart is een triomftocht, in nog sterkere zin dan de opstanding. Want Hij triomfeert erin over heel de aarde, over alle wetten van de natuur, over de hele zwaartekracht van de materie. Ja meer nog, zijn hemelvaart is een triomf over alle vijandige, duivelse en menselijke machten, die door God in het kruis van Christus van hun wapenrusting beroofd, in hun onmacht tentoongesteld, aan de zegewagen van Christus gebonden zijn Kol. 2:15 en nu door Christus zelf als gevangenen meegevoerd worden. Ef. 4:8 Dezelfde gedachte wordt door Petrus zo uitgedrukt dat Christus na zijn levendmaking in de geest is heengegaan (voor heengaan en opvaren wordt in 1 Petrus 3:20 en 22 in het Grieks hetzelfde woord gebruikt, zodat vers 22 door de toevoeging ‘naar de hemel’ verklaart waar hij heengegaan is) naar de hemel, bij die hemelvaart aan de geesten in de gevangenis zijn overwinning heeft bekendgemaakt en plaats heeft genomen aan Gods rechterhand, terwijl de engelen en machten en krachten Hem onderdanig zijn gemaakt.

De hemelvaart, die Christus’ eigen daad is, is tegelijk een door God opgenomen worden in zijn hemel. Mar. 16:19, Luk. 24:51, Hand. 1:2, 1:9, 1:11, 1:22, 1 Tim. 3:16 Omdat Christus immers het werk van de Vader volkomen heeft volbracht, wordt Hij niet alleen door de Vader opgewekt, maar ook toegelaten in zijn directe tegenwoordigheid. De hemelen staan voor Hem open, de engelen gaan Hem tegemoet en leiden Hem binnen. Hand. 2:10 Hij is zelfs door de hemelen heen gegaan en ver boven alle hemelen opgevaren, Heb. 4:14, 7:26, Ef. 4:10 om plaats te nemen aan Gods rechterhand op de troon van zijn majesteit. De allerhoogste plaats naast God komt Christus toe.

Zoals de opstanding de hemelvaart voorbereidt, zo leidt de hemelvaart weer tot het zitten aan Gods rechterhand. Al in het Oude Testament werd deze plaats aan de Messias beloofd. Ps. 110:1 Jezus zei meermalen dat Hij straks gezeten zou zijn op de troon van zijn heerlijkheid Mat. 19:28, 25:31, 26:64 en nam na zijn hemelvaart die plaats in bezit. Mar. 16:19 En in de apostolische prediking wordt dit zitten aan Gods rechterhand heel vaak vermeld en in haar grote betekenis voor ogen gesteld. Hand. 2:34, Rom. 8:34, 2 Kor. 5:10, Ef. 1:20, Kol. 3:1, Heb. 1:3, 1:13, 8:1, 10:12, 1 Pet. 3:22, Op. 3:21 enz.

In de uitdrukkingen waarvan de Heilige Schrift zich bij deze trap van Jezus’ verhoging bedient, is er enige afwisseling te bespeuren. Net als bij opstanding en hemelvaart wordt ook hier nu eens gezegd dat Christus zichzelf heeft neergezet Heb. 1:3, 8:1 (is gezeten, beter: is gaan zitten, zich heeft gezet), dan weer dat de Vader tegen Hem gezegd heeft: ‘Ga zitten aan mijn rechterhand,’ Hand. 2:34, Heb. 1:13 of ook dat Hij Hem daar gezet heeft. Ef. 1:20 Soms valt de nadruk op de daad van het zitting nemen, Mar. 16:19 soms op de toestand van het gezeten zijn. Mat. 26:64, Kol. 3:1 De plaats waar Christus gezeten is, wordt aangewezen door de woorden ‘aan de rechterhand van de kracht,’ Mat. 26:64 ‘aan de rechterhand van Gods kracht,’ Luk. 22:69 ‘aan de rechterhand van de majesteit in de hoogste hemelen,’ Heb. 1:3 ‘aan de rechterhand van de troon van de majesteit in de hemelen,’ Heb. 8:1 of ‘aan de rechterhand van Gods troon.’ Heb. 12:2 Doorgaans heet het dat Christus daar gezeten is, maar ook komt wel de uitdrukking voor dat Hij aan de rechterhand van God is Rom. 8:34 of daar staat Hand. 7:55-56 of dat Hij wandelt in het midden van de zeven gouden kandelaren Op. 2:1 enzovoort. Maar altijd is de gedachte dezelfde: Christus heeft na zijn opstanding en hemelvaart de hoogste plaats naast God in heel het heelal.

Deze gedachte wordt echter uitgedrukt in de vorm van een beeld, dat ontleend is aan aardse verhoudingen. We kunnen over de hemelse dingen niet anders dan op menselijke wijze, in gelijkenissen spreken. Zoals Salomo zijn moeder Bathseba eerde door haar te zetten in een stoel aan zijn rechterhand, 1 Kon. 2:19, vg. Ps. 45:10, Mat. 20:21 zo verheerlijkt de Vader zijn Zoon door Hem bij zich te laten zitten op zijn troon. Op. 3:21 Het zitten aan Gods rechterhand duidt aan dat Christus op grond van zijn volmaakte gehoorzaamheid verheven is tot de hoogste soevereiniteit, majesteit, waardigheid, eer en heerlijkheid. Hij ontving niet slechts de heerlijkheid terug die Hij volgens zijn goddelijke natuur bij de Vader had, voor de wereld er was. Joh. 17:5 Nee, we zien Hem nu ook wat betreft zijn mensheid met eer en heerlijkheid gekroond. Heb. 2:9, Fil. 2:9-11 Alle dingen zijn aan zijn voeten onderworpen, uitgezonderd alleen Hij die aan Hem alle dingen onderworpen heeft. 1 Kor. 15:27 En al zien we het nu nog niet dat aan Hem alle dingen onderworpen zijn, Hij zal toch als Koning heersen, totdat Hij alle vijanden onder zijn voeten gelegd zal hebben. Heb. 2:8, 1 Kor. 15:25 Dat zal gebeuren bij zijn wederkomst, als Hij de levenden en de doden zal oordelen. Zijn zitten aan Gods rechterhand en heel zijn verhoging eindigt en bereikt haar toppunt in de wederkomst voor het oordeel. Mat. 25:31-32

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in