18.5 – Christus’ opstanding

0
12

De lichamelijke opstanding van Christus is niet een op zichzelf staand historisch feit, maar is onuitputtelijk rijk van zin en voor Christus zelf, voor zijn gemeente en voor heel de wereld van de grootste betekenis. In het algemeen bevat Christus’ opstanding de principiële overwinning in zich op de dood. Door een mens is de dood in de wereld gekomen. De overtreding van Gods gebod heeft voor de dood de ingang tot de mensenwereld ontsloten, want de dood is het loon op de zonde. Rom. 5:12, 6:23, 1 Kor. 15:21 Zo moest en kon ook de overwinning op de dood alleen gebeuren door een mens. Een mens moest de opstanding uit de doden tot stand brengen. Al was een engel, al was de eigen Zoon van de Vader in het dodenrijk neergedaald en daaruit weer teruggekeerd naar de hemel, het zou ons niets baten. Maar Christus was niet alleen de eniggeborene van de Vader, maar ook echt en volkomen mens, Gods Zoon en Mensenzoon. Als mens heeft Hij geleden, is Hij gestorven en begraven, maar ook als mens is Hij opgestaan en uit het rijk van de doden teruggekeerd. In de opstanding van Christus werd bewezen dat er een mens was die door de dood niet vastgehouden kon worden, die satan, die de macht over de dood had, niet beheersen kon, die sterker was dan graf en dood en hel. Feitelijk, in principe, heeft satan dus de macht, de heerschappij over de dood niet meer. Christus heeft hem door middel van de dood overwonnen. Heb. 2:14 Al was Christus alleen opgestaan en al stond er verder niemand op, toch leed de dood de nederlaag. Er is in elk geval één mens die sterker is dan hij. De poorten van het dodenrijk, die achter hem gesloten waren, moesten zich op zijn bevel openen. De overste van de wereld had niets aan Hem. Joh. 14:30

Als dit zo is, spreekt het verder vanzelf dat het bij de opstanding van Christus juist op de lichamelijke verrijzenis aankomt. Een geestelijke opstanding zou niet genoeg geweest zijn en zou slechts een halve, zou eigenlijk helemaal geen overwinning geweest zijn, maar een nederlaag. Dan zou immers niet heel de mens, niet de mens als zodanig, met ziel en lichaam, aan de heerschappij van de dood onttrokken zijn. Dan was satan op een groot gebied overwinnaar gebleven. Bovendien, geestelijke opstanding – dat is: wedergeboorte en vernieuwing – kon in Christus niet vallen, omdat Hij heilig was, vrij van alle schuld en smet van de zonde. Als Hij zijn macht over de dood bewijzen zou, dan kon Hij dat alleen doen door lichamelijk uit het dodenrijk terug te keren en zo zijn geestelijke macht te openbaren in de wereld van de materie. In zijn lichamelijke verrijzenis kwam pas uit dat Hij, door de gehoorzaamheid tot het kruis en het graf toe, de zonde met al haar gevolgen, dus ook de dood, volkomen overwonnen en weer uit de mensenwereld weggeworpen had en een nieuw leven in onvergankelijkheid aan het licht had gebracht. Door een mens mag dus de dood in de wereld gekomen zijn, ook de opstanding van de doden is er door een mens. 1 Kor. 15:21 Christus is zelf de opstanding en het leven. Joh. 11:25

Hiermee komt de algemene betekenis van de opstanding van Christus al voldoende aan het licht. Maar ze kan ook nog verder in bijzonderheden worden vastgesteld. Allereerst voor Christus zelf. Als de kruisdood het einde van Jezus’ leven was geweest en niet door een opstanding gevolgd was, zouden de Joden in zijn veroordeling gelijk hebben gehad. Immers, er staat geschreven dat een opgehangene voor God een vervloekte is. Deut. 21:23 Daar op die plaats wordt dat als een reden aangevoerd waarom het lijk van een ter dood gebrachte misdadiger niet aan het hout waaraan hij na zijn dood is opgehangen, mag overnachten, maar op dezelfde dag begraven moet worden. Als het hangen bleef, zou het het land verontreinigen dat God aan zijn volk als erfdeel gaf. Nu kent de Mozaïsche wet de straf van de kruisdood niet. Maar als Jezus aan de heidenen wordt overgeleverd Mat. 20:19 en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis wordt gehecht, Hand. 2:23 dan is Hij, niet pas na, maar al vóór en in zijn sterven een voorbeeld van de onverbiddelijke strengheid van de wet en een vervloekte voor Gods aangezicht. Voor de Joden, die de wet kenden, was de kruisdood niet alleen een pijnlijke en schandelijke straf, maar ook een bewijs dat de gekruisigde door God met zijn toorn en zijn vloek was beladen. Jezus, de gehangene aan het hout, was in de ogen van de Joden aanstootgevend en een vervloekte. 1 Kor. 1:23, 12:3

Maar nu komt de opstanding en keert heel het oordeel om. Hij die God tot zonde voor ons maakte, is degene die persoonlijk geen zonde gekend heeft. Hij die een vervloekte werd voor ons, is in zichzelf de gezegende van de Vader. De aan het kruis door God verlatene is de Zoon, in wie de Vader al zijn welbehagen heeft. De uitgeworpene van de aarde is de gekroonde in de hemel. De opstanding is dus het bewijs van Christus’ zoonschap. Hij die wat betreft het vlees is voortgekomen uit het zaad van David, van Hem is door de opstanding met kracht bewezen (verklaard) dat Hij de Zoon van God is, overeenkomstig de Geest van de heiligheid, die in Hem was. Rom. 1:3-4 Christus heeft de waarheid gesproken en voor Kajafas en Pontius Pilatus de goede belijdenis afgelegd, toen Hij getuigde dat Hij de Zoon van God was. Niet de Joden en de Romeinen hebben in hun oordeel en vonnis gelijk gehad, maar Christus is de Rechtvaardige, die door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis is gehecht en gedood. De opstanding is de goddelijke revisie van het vonnis dat de wereld over Jezus heeft geveld.

In deze bewijskracht voor zijn zoonschap en messianiteit gaat echter de opstanding voor Christus absoluut niet op. De opstanding is voor Hem ook de ingang tot een heel nieuwe staat van leven, het begin van zijn steeds voortschrijdende verhoging. Niet alleen in de eeuwigheid Heb. 1:5 en bij de aanstelling tot het priesterschap, Heb. 5:5 maar ook bij de opstanding Hand. 13:33 heeft God tegen Hem gezegd: ‘Jij bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt.’ De opstanding is de dag van de kroning van Christus. Hij was al Zoon en Messias vóór zijn menswording. Hij was het ook in zijn vernedering. Maar toen was zijn innerlijk wezen verborgen onder zijn slavengestalte. Nu echter wordt Hij door God openlijk verklaard en uitgeroepen tot Heer en Christus, tot Vorst en Zaligmaker. Hand. 2:36, 5:31, Fil. 2:9 Hij neemt nu de heerlijkheid terug die Hij vroeger al bij de Vader had, Joh. 17:5 neemt een ‘andere gedaante’, een andere gestalte, een andere bestaansvorm aan. Mar. 16:12 Hij die dood is geweest, is levend geworden en leeft nu in alle eeuwigheid en Hij heeft de sleutels van de hel en van de dood. Op. 1:18 Hij is de Vorst van het leven, de bron van de zaligheid en degene die door God is aangesteld om de levenden en de doden te oordelen. Hand. 3:15, 4:12, 10:42

Bovendien is de opstanding van Christus een fontein van heil voor zijn gemeente en voor heel de wereld. De opstanding is het ‘Amen’ van de Vader op het ‘Volbracht’ van de Zoon. Christus is immers overgeleverd om (omwille van) onze zonden en opgewekt om (omwille van) onze rechtvaardiging. Rom. 4:25 Zoals onze zonden en Christus’ dood zeer innig verbonden zijn, zo bestaat er ook een zeer nauwe relatie tussen Christus’ opstanding en onze rechtvaardiging. Onze zonden zijn de oorzaak van zijn dood en zo is onze rechtvaardiging de oorzaak van zijn opstanding. Hij verwierf onze rechtvaardiging niet door zijn opstanding, maar door zijn dood, Rom. 5:9, 5:19 want die dood was een offer, dat de zonden volkomen verzoende en een eeuwige gerechtigheid bracht. Maar omdat Hij de volkomen verzoening en vergeving van al onze zonden door zijn lijden en sterven verworven had, stond Hij op en moest Hij opstaan. In de opstanding werd Hij zelf en werden wij in Hem en met Hem gerechtvaardigd. Zijn verrijzenis uit de dood is de publieke afkondiging van onze vrijspraak. En dat niet alleen. Nee, Christus is ook nog om onze rechtvaardiging opgewekt in deze andere zin en met dit andere doel dat Hij de vrijspraak, die in zijn opstanding ligt opgesloten, ons persoonlijk zou kunnen toe-eigenen. Zonder de opstanding zou de door zijn dood bewerkte verzoening zonder effect en toepassing gebleven zijn. Ze zou dan als het ware gelijk zijn geweest aan een dood kapitaal. Maar nu is Christus door zijn opstanding verhoogd tot een Heer, Vorst en Zaligmaker, die ons langs de weg van het geloof in de verworven verzoening kan laten delen. Zijn opstanding is tegelijk het bewijs en de bron van onze rechtvaardiging.

Maar als Christus opstond om de verworven verzoening en vergeving ons persoonlijk toe te eigenen, dan ligt daarin meteen nog een andere weldaad opgesloten. Want zoals er geen vergeving zonder voorafgaande verzoening is, zo is er ook geen vergeving zonder daarop volgende heiliging en verheerlijking. De objectieve basis voor dit onlosmakelijk verband van rechtvaardiging en heiliging ligt in Christus zelf. Hij is immers niet alleen gestorven, maar ook opgewekt. En wat zijn sterven betreft, Hij is voor eens en voor altijd gestorven voor de zonde (in betrekking tot de zonde, om haar te verzoenen en uit te wissen), zodat Hij wat zijn leven betreft, leeft voor God. Rom. 6:10 Zijn leven behoort nu, nadat Hij door zijn dood de macht van de zonde volkomen gebroken heeft, alleen God toe. Als Christus daarom aan de mens in het geloof de vruchten van zijn dood, namelijk de verzoening en vergeving van de zonde schenkt, dan eigent Hij hem op datzelfde ogenblik ook een nieuw leven toe. Hij kan zichzelf niet delen, zijn dood en opstanding niet scheiden. Ja, de vruchten van zijn dood kan Hij alleen uitdelen en toepassen doordat Hij zelf opgewekt is. Alleen als de Vorst van het leven beschikt Hij over de weldaden van zijn dood. Dus zoals Hij zelf eenmaal voor de zonde stierf om voortaan alleen voor God te leven, zo is Hij in zijn dood voor allen gestorven, opdat degenen die leven (door namelijk met Christus te sterven en op te staan) niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor hen gestorven en opgewekt is. 2 Kor. 5:15, Gal. 2:20

Zo bestaat er ook van de subjectieve kant een onverbrekelijk verband tussen vergeving van de zonden en vernieuwing van het leven. Want wie de vergeving van de zonden met een gelovig hart aanneemt, die heeft op datzelfde ogenblik, net als Christus in zijn dood, elke relatie met de zonde verbroken. Hij heeft alle gemeenschap met haar opgezegd, want zonde die vergeven is en waarvan de vergeving in het geloof met grote vreugde is aangenomen, kan niet anders dan gehaat worden. Hij is, zoals Paulus het noemt, voor de zonde gestorven Rom. 6:2 en kan daarom niet meer in de zonde leven. Hij is door het geloof en door de doop als teken en zegel daarvan de gemeenschap met Christus binnengegaan, is met Hem gekruisigd, gestorven en begraven, opdat hij voortaan in een nieuw leven zou wandelen. Rom. 6:3 e.v.

Aan deze heiliging is verder de verheerlijking verbonden. Door de opstanding van Christus zijn de gelovigen immers opnieuw geboren tot een levende hoop. 1 Pet. 1:3 Ze hebben er de onomstotelijke zekerheid door verkregen dat het werk van de zaligheid niet alleen begonnen en voortgezet is, maar tot het eind toe voltooid zal worden. In de hemelen wordt de onvergankelijke en onbevlekte en onverwelkbare erfenis voor hen bewaard en op aarde worden ze door Gods kracht door het geloof bewaard voor de zaligheid die in de laatste tijd geopenbaard zal worden. 1 Pet. 1:4-5 Hoe zou dit ook anders kunnen? God heeft immers zijn liefde voor ons bevestigd doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Veel meer zullen we dan, nadat we door het bloed van Christus gerechtvaardigd zijn, door God behouden worden van zijn toorn, vooral van de toorn die in het laatste gericht openbaar zal worden.

Voor degenen, die in Christus zijn, is er geen toorn en geen veroordeling, maar alleen vrede bij God en hoop op zijn heerlijkheid. Vroeger immers, toen zij nog zijn vijanden en aan zijn toorn onderworpen waren, heeft God zichzelf met hen verzoend door de dood van zijn Zoon. Zo zullen zij dan nu, nu God zijn toorn tegen hen heeft afgelegd en hun zijn vrede en liefde geschonken heeft, veel meer behouden worden door het leven, waar Christus nu door zijn opstanding deel aan heeft en waarin Hij als hun voorspraak bij de Vader actief is. Rom. 6:8-10 De opstanding van Christus werkt dus door tot in de eeuwigheid. Ze brengt op haar tijd de opstanding van de gelovigen en de wedergeboorte, de overwinning van hemel en aarde mee. Hand. 4:2, Rom. 6:5, 8:11, 1 Kor. 15:12 e.v.

Alleen wanneer we deze rijke, eeuwige betekenis van de opstanding van Christus verstaan, kunnen we ook begrijpen waarom de apostelen en vooral Paulus zo sterk nadruk leggen op het historisch karakter ervan. Alle apostelen zijn getuigen van de opstanding. Hand. 1:21, 2:32 En Paulus betoogt dat zonder die opstanding de prediking van de apostelen zinloos en vals is, de vergeving van de zonden, die gebaseerd is op de verzoening en wordt aangenomen in het geloof, niet heeft plaatsgevonden en de hoop op een zalige opstanding alle grond mist. Met de opstanding valt het goddelijk zoonschap en de messiaanse waardigheid van Christus en blijft er van Hem niet meer over dan een leraar van de deugd. Maar als de opstanding echt gebeurd is, dan is Christus daarin ook openlijk door de Vader uitgeroepen en gekroond als de Verzoener van de zonden, de Vorst van het leven en de Zaligmaker van de wereld.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in