De verhoging van Christus begon volgens de gereformeerde belijdenis met zijn opstanding, maar volgens vele andere confessies al eerder, met de neerdaling in de hel. Die wordt dan echter weer heel verschillend opgevat. De Griekse kerk verstaat eronder dat Christus met zijn goddelijke natuur en met zijn menselijke ziel naar de onderwereld is gegaan om de zielen van de heilige voorvaderen te bevrijden en met die van de moordenaar aan het kruis naar het paradijs over te brengen.

Volgens de roomse kerk is Christus werkelijk met zijn ziel naar de onderwereld afgedaald en daar zolang gebleven als zijn lichaam rustte in het graf, om de zielen van de vromen, die daar zonder smart verbleven totdat de zaligheid verworven was, uit de staat van de dood te bevrijden, naar de hemel over te brengen en te laten delen in het zalige aanschouwen van God. De lutherse kerk maakt onderscheid tussen de eigenlijke levendmaking van Christus en zijn opstanding of tevoorschijn komen uit het graf en leert nu dat Christus in die korte tussentijd, met zowel ziel als lichaam, speciaal naar de hel is gegaan om daar aan demonen en veroordeelden zijn overwinning bekend te maken. En tal van theologen, vooral in de nieuwere tijd, leggen het artikel uit in de zin dat Christus vóór zijn opstanding, óf met de ziel alleen óf ook met het lichaam, naar de onderwereld is gegaan om aan de in hun zonden gestorvenen het evangelie te verkondigen en hen nog in de gelegenheid te stellen om zich te bekeren en te geloven.
De grote verscheidenheid van opvattingen bewijst dat de oorspronkelijke betekenis van de woorden ‘neergedaald in de hel’ verloren is gegaan. We weten niet waar het artikel vandaan komt en evenmin wat men er eigenlijk mee bedoeld heeft. En de Schrift weet van een letterlijke, werkelijke, ruimtelijke neerdaling van Christus naar de hel niets af. Petrus past de woorden van Psalm 16 op Christus toe: ‘U zult mijn ziel in de hel niet verlaten en zult uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.’ Hand. 2:26 Maar de kanttekening merkt terecht op dat hel hier opgevat moet worden in de zin van graf. Hoewel Christus wat betreft zijn ziel in het paradijs was, verbleef Hij toch wat betreft zijn lichaam in het graf en verkeerde Hij tussen zijn sterven en zijn opstaan in de staat van de dood. Paulus zegt dat dezelfde die opgevaren is, eerst is neergedaald in de onderste delen van de aarde. Ef. 4:9 Maar hierbij moeten we niet denken aan een neerdaling in de hel, maar óf aan de vleeswording, waarbij Christus op aarde is neergedaald, óf aan zijn dood, waarbij Hij is neergedaald in het graf. En de apostel Petrus spreekt in geen geval over wat Christus tussen zijn opstanding deed, maar óf over wat Hij verrichte vóór zijn vleeswording door zijn geest in de dagen van Noach, óf over wat Hij deed na zijn opstanding, toen Hij al levend gemaakt was in de Geest. 1 Pet. 3:19-21 Voor de leer van een ruimtelijke neerdaling van Christus naar de onderwereld of de hel is er in de Heilige Schrift niet de minste grond aanwezig.
De gereformeerde kerk heeft daarom deze uitleg van het artikel laten varen en er óf de helse angsten en smarten onder verstaan, die Christus vóór zijn dood in Gethsemané en op Golgotha geleden heeft, óf daarbij ook gedacht aan de staat van de dood, waarin Christus verkeerde gedurende de tijd waarin Hij wat het lichaam betreft in het graf lag. Beide uitleggingen vinden hun eenheid in de Schriftuurlijke gedachte dat de overgave van Christus in de dood het uur van zijn vijanden was en de macht van de duisternis. Luk. 22:53 Christus wist dat dat uur zou komen en gaf zich er vrijwillig aan over. Joh. 8:20, 12:23, 12:27, 13:1, 17:1 In dat uur, waarin Hij eigenlijk de hoogste, geestelijke macht van zijn liefde en gehoorzaamheid tentoonspreidde, Joh. 10:17-18 scheen Hij volkomen machteloos. De vijanden deden met Hem wat ze wilden. De duisternis triomfeerde over Hem. Hij daalde inderdaad, niet in ruimtelijke, maar in geestelijke zin, neer in de hel.
Maar de macht van de duisternis was niet haar eigen macht. Die was haar gegeven door de Vader. Joh. 19:11 De vijanden van Christus begrepen niet dat ze slechts instrumenten waren en zonder het te weten en te willen uitvoerden wat Gods hand en raad van tevoren bepaald had dat er zou gebeuren. Hand. 2:23, 4:28 Ook in zijn vernedering was Christus de machtige, die zelf vrijwillig zijn leven aflegde en zijn ziel gaf als een losprijs voor velen. Het uur van de macht van de duisternis was zijn eigen uur. Joh. 7:30, 8:20 In zijn dood overwon Hij de dood door de macht van zijn liefde, door zijn volkomen zelfverloochening, door zijn absolute gehoorzaamheid aan de wil van de Vader. Daarom was het niet mogelijk dat Hij, de Heilige, door de dood vastgehouden (beheerst) zou worden, of door God verlaten en aan de ontbinding zou worden overgegeven. Hand. 2:25-27 Integendeel, de Vader heeft Hem opgewekt Hand. 2:24, 3:26, 5:30, 13:37, Rom. 4:25, 1 Kor. 15:14 enz. en Christus is zelf opgestaan volgens eigen recht en door eigen kracht. Joh. 11:25, Hand. 2:31, Rom. 1:4, 14:9, 1 Kor. 15:21, 1 Thes. 4:14 enz. De smarten van de dood waren als het ware de barensweeën van zijn nieuwe leven. Hand. 2:24 Christus is de eerstgeborene uit de doden. Kol. 1:18
Deze opstanding bestond uit de levendmaking van zijn gestorven lichaam en in de verrijzenis uit het graf. De bestrijders van de opstanding verkeren met dit feit in niet geringe verlegenheid. Vroeger probeerden ze het verhaal van deze gebeurtenis te verklaren door de veronderstelling dat Jezus maar schijndood was geweest, of dat zijn lichaam door de leerlingen was gestolen, of dat de leerlingen aan zelfbedrog leden en zich verbeeld hadden dat ze Hem zagen. Maar al deze veronderstellingen zijn de een na de ander prijsgegeven. En tegenwoordig nemen velen hun toevlucht tot het spiritisme en zien daarin een welkome verklaring voor de opstanding van Christus. Ze zeggen dan dat er wel degelijk iets objectiefs plaatsvond. De leerlingen hebben inderdaad iets gezien, ze hebben een verschijning gehad van de wel wat betreft zijn lichaam gestorven, maar wat zijn geest betreft voortlevende Christus. De geest van Christus is hun verschenen en heeft zich aan hen geopenbaard. Zelfs wordt hieraan dan nog een vrome schijn gegeven en gezegd dat God zelf de geest van Christus aan hen liet verschijnen om hen uit hun droefheid op te beuren en hen van de overwinning op de dood en van de onvergankelijkheid van het leven te vergewissen. De verschijningen van Christus waren dan zoveel als een ‘telegram uit de hemel’, een goddelijke boodschap van de geestelijke macht van Christus.
Maar heel deze spiritistische verklaring is de Heilige Schrift onwaardig en lijnrecht met haar getuigenis in strijd. Volgens alle evangelisten werd het graf op de derde dag leeg bevonden en vond op diezelfde dag de eerste verschijning plaats. Mat. 28:6, Mar. 16:6, Luk. 24:3, Joh. 20:2, 1 Kor. 15:4-5 Zonder geregelde volgorde en zonder volledige opsomming verhalen de evangelisten en Paulus ons dat Jezus verschenen is aan de vrouwen, in het bijzonder aan Maria Magdalena, aan Petrus, aan de leerlingen zonder en met Thomas en aan vele anderen, zelfs aan vijfhonderd broeders tegelijk. De verschijningen vonden eerst plaats bij en in Jeruzalem, later in Galilea, waar Hij, zoals Markus uitdrukkelijk zegt, vóór hen heenging. Mar. 16:7 En allen stemmen erin overeen dat Jezus in hetzelfde lichaam verscheen dat in het graf was neergelegd. Het was een lichaam van vlees en beenderen, zoals een geest die niet heeft. Luk. 24:39 Het kon getast worden Joh. 20:27 en voedsel nuttigen. Luk. 24:41, Joh. 21:10
Maar ondanks dat maakte Jezus na zijn opstanding een heel andere indruk dan vóór zijn dood. Wie Hem zagen, werden verschrikt en bevreesd, wierpen zich voor Hem neer en aanbaden Hem. Mat. 28:9-10, Luk. 24:37 Hij verscheen in een andere gedaante dan die Hij vroeger vertoonde Mar. 16:12 en werd soms niet meteen herkend. Luk. 24:16, 24:31 Er is een groot verschil tussen de opstanding van Lazarus en die van Jezus. De eerste keert uit de dood terug naar zijn eerdere, aardse levenskring, maar Jezus keert niet terug, maar gaat verder op de weg die van zijn opstanding naar de hemelvaart leidt. Als Maria denkt dat ze haar Meester en Heer uit de dood heeft teruggekregen en de vroegere omgang met Hem vernieuwen zal, dan wijst Jezus dit af en zegt: ‘Raak mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar mijn Vader. Maar ga naar mijn broeders en zeg hun: “Ik vaar op naar mijn Vader en jullie Vader en mijn God en jullie God.”’ Joh. 20:17 Na zijn opstanding behoort Christus niet meer tot de aarde, maar tot de hemel. En daarom is zijn gedaante veranderd, al heeft Hij ook hetzelfde lichaam aangenomen dat Hij in het graf had gelegd. Paulus vat dit zo samen: bij het sterven wordt er een natuurlijk lichaam gezaaid, maar in de opstanding (zowel van Christus als van de gelovigen) wordt er een geestelijk lichaam opgewekt. 1 Kor. 15:44 In beide gevallen is het een lichaam, want geestelijk staat hier niet tegenover stoffelijk of materieel, maar tegenover natuurlijk. Maar in het natuurlijk (psychisch) lichaam, dat de eerste mens ontving, is er een groot gebied van leven dat onttrokken is aan de heerschappij van de geest en min of meer zelfstandig voortbestaat. Daarentegen is in het geestelijk lichaam buik en voedsel tenietgedaan 1 Kor. 6:13 en al het materiële volkomen onderworpen en dienstbaar aan de geest.



















