Aangezien het werk van de zaligheid Gods werk is en het zijne alleen, zouden de weldaden van Christus ons niet ten goede kunnen komen als Hij niet uit de doden opgewekt en aan Gods rechterhand verhoogd was. Aan een gestorven Jezus zouden we genoeg hebben als het christendom niet meer was en voor onze verlossing niet meer hoefde te zijn dan een leer die we ons in het hoofd moesten prenten of een moreel voorschrift en voorbeeld dat we moesten volgen. Maar de christelijke godsdienst is iets anders en veel meer dan dat. Het is de volkomen verlossing van heel de mens, van heel het organisme van de mensheid en van de hele wereld. En Christus is op aarde gekomen om in deze volle zin de wereld zalig te maken. Hij kwam niet om voor ons alleen de mogelijkheid van de zaligheid te verwerven en om het dan verder aan onze vrije wil over te laten of we van die mogelijkheid gebruik zouden maken. Nee, Hij vernederde zich en werd gehoorzaam tot de kruisdood toe om ons werkelijk, volkomen, eeuwig zalig te maken.

Daarom is zijn werk ook niet met zijn dood en zijn begrafenis afgelopen. Weliswaar zei Hij in zijn hogepriesterlijk gebed dat Hij het werk voltooid had dat de Vader Hem gegeven had om te doen Joh. 17:4 en riep Hij aan het kruis uit: ‘Het is volbracht!’ Joh. 19:30 Maar dit had betrekking op het werk dat Christus op aarde te doen had. Het gold het werk van zijn vernedering, de verwerving van onze zaligheid. En dat werk is af, het is voltooid en volmaakt. De zaligheid is door zijn lijden en sterven zo volkomen verworven dat geen schepsel er iets kan of ook hoeft bij te doen. Er is echter onderscheid tussen de verwerving van de zaligheid en de toepassing en de uitdeling ervan. En die laatste is niet minder nodig dan de eerste. Wat voor nut zou een schat aan goederen ons geven die buiten ons bereik bleven en nooit in ons bezit werden gesteld? Wat zou een Christus ons baten die wel gestorven was om onze zonden, maar niet was opgewekt om onze rechtvaardiging? Wat zou het voordeel zijn van een gestorven Heer die niet verhoogd was aan de rechterhand van de Vader?
Maar nu, als christenen belijden we en roemen we in een gekruisigde en bovendien verrezen Heiland, in een vernederde en bovendien verheerlijkte Zaligmaker, in een Koning die de eerste en ook de laatste is, die dood is geweest, maar nu leeft in alle eeuwigheid en die de sleutels heeft van de hel en van de dood. Op. 1:19 Na zijn dood is Christus opgestaan en weer levend geworden, om zowel over doden als levenden te heersen. Rom. 14:9 In zijn verhoging trekt Hij op en voltooit Hij het gebouw waarvan Hij in zijn vernedering het fundament legde. Hij is verheven ver boven alle overheid en macht en kracht en aan de gemeente gegeven als een Hoofd, om alles in allen te vervullen. Ef. 1:20-23 Hij is door de opstanding een Heer en Christus, een Vorst en Zaligmaker gemaakt, om Israël bekering en vergeving van de zonden te geven en alle vijanden onder zijn voeten te leggen. Hand. 2:36, 5:31, 1 Kor. 15:25 Hij is bovenmate door God verhoogd en heeft een naam ontvangen boven elke naam, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zou buigen van degenen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader. Fil. 2:9-11
De verhoging van Christus is daarom geen toevallig aanhangsel of willekeurige toevoeging aan de vernedering die Hij in de dagen van zijn vlees heeft ondergaan. Nee, ze is net als de vernedering een onmisbaar onderdeel van het werk van de verlossing dat Christus moet volbrengen. In de verhoging ontvangt de vernedering haar zegel en kroon. Dezelfde Christus die neergedaald is in de laagste delen van de aarde is ook opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen zou vervullen. Ef. 4:9-10 Net als het werk van de vernedering, is Hem ook het werk van de verhoging opgedragen. Hij moet dat doen. Het is zijn werk. Een ander kan het niet doen. De Vader heeft Hem bovenmate verhoogd, juist omdat Hij zich zo diep vernederd heeft. Fil. 1:9 Hij heeft aan zijn Zoon het oordeel gegeven, omdat Hij een Mensenzoon heeft willen worden. Joh. 5:22 En de Zoon is verhoogd en zet in de verhoging zijn werk voort om te bewijzen dat Hij de volkomen, echte en almachtige Zaligmaker is. Hij rust niet voordat Hij het koninkrijk voltooid zal kunnen overgeven aan God en de Vader en Hij de gemeente als zijn bruid aan Hem kan presenteren zonder vlek en zonder rimpel. 1 Kor. 15:24, Ef. 5:25 Aan de voltooiing van dit werk van zaligheid hangt de eer van Christus zelf. Zijn eigen naam is ermee gemoeid, zijn eigen roem is erbij betrokken. Hij verhoogt de zijnen en brengt ze waar Hij zelf is, opdat ze zijn heerlijkheid mogen aanschouwen. Joh. 17:24 En Hij komt aan het slot van de eeuwen zelf terug om verheerlijkt te worden in zijn heiligen en om bewonderd te worden in allen die geloven. 2 Thes. 1:10




















