Het volmaakte offer, dat Christus aan het kruis gebracht heeft, heeft een oneindige kracht en waardigheid en is royaal voldoende om de zonden te verzoenen van heel de wereld (Dordtse Leerregels II.3). Immers, de Heilige Schrift brengt telkens heel die wereld met de verlossing en herschepping in verband. De wereld is het object van Gods liefde geweest. Joh. 3:16 Christus is niet op aarde gekomen om de wereld te veroordelen, maar om haar te behouden. Joh. 3:17, 4:42, 6:33, 6:51, 12:47 In Hem heeft God de wereld, alle dingen in hemel en op aarde, met zichzelf verzoend. Joh. 1:29, 2 Kor. 5:9, Kol. 1:20 Christus was dan ook niet alleen een verzoening voor de zonden van degenen die op een gegeven moment in Hem geloven, maar ook voor de hele wereld. 1 Joh. 2:2 Zoals de wereld door de Zoon is geschapen, zo is ze ook voor de Zoon als haar erfgenaam bestemd. Kol. 1:16, Heb. 1:2, Op. 11:15 Het is het welbehagen van de Vader om in de bedeling van de volheid van de tijden opnieuw alles bijeen te brengen in Christus als hoofd, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is. Ef. 1:10 Er zijn tijden aanstaande van het herstel van alle dingen. We verwachten volgens Gods belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Hand. 3:21, 2 Pet. 2:13, Op. 21:1

Omdat Christus’ offer zo royaal voldoende is voor heel de wereld, moet het evangelie van de verzoening ook aan alle schepselen gepredikt worden. De belofte van het evangelie is dat ieder die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verloren zal gaan, maar het eeuwige leven zal hebben. En deze belofte moet aan alle volkeren en mensen, naar wie God volgens zijn welbehagen zijn evangelie zendt, zonder onderscheid verkondigd en gepresenteerd worden, met bevel van bekering en geloof (Dordtse Leerregels II.5). De Schrift laat in dit opzicht niet de minste twijfel over. Al in het Oude Testament wordt gezegd dat de Heer geen vreugde vindt in de dood van de goddeloze, maar in zijn bekering en leven Ezech. 18:23, 33:11 en dat in de zegeningen van Israël ook eenmaal alle volkeren zullen delen. Genesis 9:27, 12:3, Deut. 32:21, Jes. 42:1, 42:6 enz. De zendingsgedachte ligt al opgesloten in de belofte van het oudtestamentische genadeverbond. Maar klaar en helder wordt die uitgesproken als Christus zelf op aarde verschijnt en zijn werk heeft volbracht. Hij is immers het licht voor de wereld, de Zaligmaker, die voor de wereld het leven geeft, Joh. 3:19, 4:42, 6:33, 6:51, 8:12 die nog andere schapen heeft buiten Israël, die Hij ook moet binnenbrengen, Joh. 10:16 en die daarom voorspelt en beveelt dat zijn evangelie in de hele wereld verkondigd zal worden. Mat. 24:14, 26:14, 28:19, Mar. 16:15
Als de apostelen vanaf de Pinksterdag dit evangelie brengen aan Joden en heidenen en overal gemeenten stichten, kan haast gezegd worden dat hun geluid over de hele aarde is uitgegaan en hun woorden tot de einden van de wereld, Rom. 10:18 dat de zaligmakende genade van God verschenen is aan alle mensen. Tit. 2:11 Zelfs is de voorbede voor alle mensen, en vooral voor koningen en alle hooggeplaatsten, goed en voor God aangenaam, omdat Hij wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen. 1 Tim. 2:4 En dat de wederkomst van Christus nog uitblijft, is een bewijs van Gods lankmoedigheid, aangezien Hij niet wil dat sommigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekering komen. 2 Pet. 3:9
Deze algemeenheid van de evangelieverkondiging levert haar voordelen op voor de wereld in haar geheel en ook voor degenen die nooit in Christus als hun Heiland geloven zullen. Door zijn vleeswording heeft Christus heel het menselijk geslacht geëerd en is Hij volgens het vlees een broeder van alle mensen geworden. Het licht schijnt in de duisternis en verlicht door zijn komst in de wereld ieder mens. De wereld is door Hem gemaakt en blijft dat, hoewel zij Hem niet heeft gekend. Joh. 1:3-5 Door de roeping tot geloof en bekering, die Christus laat uitgaan naar allen die onder het evangelie leven, schenkt Hij vele uiterlijke zegeningen in gezin en maatschappij, in kerk en staat. Daarvan genieten ook zij die aan die roeping niet met hun hart gehoor geven. Zij liggen onder het beslag van het Woord, worden voor verschrikkelijke zonden behoed en delen, anders dan de heidense volken, in vele uiterlijke voorrechten. Ook mogen we niet vergeten dat Christus door zijn lijden en sterven ook de bevrijding van het schepsel uit de slavernij aan het verderf, de vernieuwing van hemel en aarde, de hereniging en onderlinge verzoening van alle dingen, ook van engelen en mensen, verworven heeft. In Christus wordt het organisme van het menselijk geslacht, wordt de wereld als Gods schepping behouden en hersteld. Ef. 1:10, Kol. 1:20
Maar hoezeer deze absolute algemeenheid van de verkondiging van het evangelie en van het aanbod van de genade ook beslist gehandhaafd moet worden, we mogen er niet uit afleiden dat daarom de weldaden van Christus voor alle mensen, hoofd voor hoofd, verworven en bestemd zijn. Dat wordt al afdoende weerlegd door het feit dat God in de dagen van het Oude Testament de heidenen hun eigen gang liet gaan en alleen het volk van Israël uitkoos als zijn eigendom en dat Hij ook in de volheid van de tijden, ondanks de principiële algemeenheid van de evangelieverkondiging, de beloften van zijn genade door alle eeuwen heen tot een klein deel van de mensheid beperkt heeft.
De algemene uitspraken die er nu en dan in de Schrift voorkomen bv. Rom. 10:18, 1 Tim. 2:4, Tit. 2:11, 2 Pet. 3:9 kunnen door niemand in absolute zin en moeten door allen in relatieve zin worden opgevat. Ze zijn allemaal neergeschreven onder de diepe indruk van het onderscheid tussen de bedeling van het Oude en die van het Nieuwe Verbond. We kunnen het ons niet meer voorstellen, maar de apostelen, die allen in het particularisme van het jodendom waren opgevoed, hebben diep de grote verandering gevoeld die Christus in de verhouding tussen volken aangebracht heeft. Ze spreken er telkens over als over een groot mysterie, dat alle eeuwen verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten door de Geest, dat namelijk de heidenen mede-erfgenamen zijn en van hetzelfde lichaam en mede-deelgenoten van de belofte in Christus. De tussenmuur die scheiding maakt, is afgebroken. Het bloed van het kruis heeft vrede gemaakt. In Christus is er geen Jood of Griek, geen Barbaar of Scyth. Elke beperking van natie en taal, van afstamming en kleur, van leeftijd en geslacht, van tijd en plaats is weggevallen. In Christus geldt alleen een nieuw schepsel. De gemeente wordt bijeengebracht uit elk geslacht en taal en volk en natie. Rom. 16:25-26, Ef. 1:10, 3:3-9, Kol. 1:26-27, 2 Tim. 1:10-11, Op. 5:9 enz.
Maar zodra de Heilige Schrift ingaat op de vraag voor wie Christus zijn weldaden verworven heeft, aan wie Hij ze schenkt en toepast en wie er dus feitelijk in delen, dan brengt ze zijn werk altijd in verband met de gemeente. Zoals er in het Oude Testament een bijzonder volk was, dat God uitkoos als zijn erfdeel, zo leeft deze gedachte van een bijzonder volk van God ook in het Nieuwe Testament verder. Zeker, dit volk valt nu niet meer samen met de vleselijke afstammelingen van Abraham. Het wordt nu integendeel geroepen en vergaderd uit Joden en heidenen, uit alle volken en uit alle mensen. Maar deze gemeente is nu dan toch de eigenlijke vergadering van Gods volk, Mat. 16:18, 18:20 het nieuwtestamentische Israël, 2 Kor. 6:16, Gal. 6:16 het ware zaad van Abraham. Rom. 9:8, Gal. 4:29 En voor dit volk heeft Christus zijn bloed gestort en de zaligheid verworven. Hij kwam om zijn volk zalig te maken, Mat. 1:21 om voor zijn schapen het leven te geven, Joh. 10:11 om al Gods kinderen bijeen te brengen, Joh. 11:52 om aan allen die de Vader Hem gegeven heeft het leven te schenken en hen op te wekken op de laatste dag, Joh. 6:39, 17:2 om Gods gemeente te verkrijgen door zijn bloed en haar te reinigen met het waterbad, door het woord. Hand. 20:28, Ef. 5:25-26 Als hogepriester bidt Christus zelfs niet voor de wereld, maar voor degenen die de Vader Hem gegeven heeft en die door het woord van de apostelen in Hem geloven zullen. Joh. 17:9, 17:20
Er is dus de meest volmaakte overeenstemming tussen het werk van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest. Zovelen als er door de Vader verkoren zijn, worden er door de Zoon gekocht en door de Heilige Geest herboren en vernieuwd. De Heilige Schrift zegt ons uitdrukkelijk dat dit er velen, zeer velen zijn. Jes. 53:11-12, Mat. 20:28, 26:28, Rom. 5:15, 5:19, Heb. 2:10, 9:28 En ze leert ons dit alles niet opdat wij dit aantal volgens ons gebrekkig inzicht en volgens onze willekeurige maatstaf zouden beperken en inkrimpen, maar opdat we te midden van alle strijd en afval er vast van verzekerd zouden zijn dat het werk van de zaligheid van het begin tot het einde Gods werk is en daarom, ondanks alle tegenstand, voortgezet en voltooid wordt. Het welbehagen van de Heer gaat door de hand van zijn knecht gelukkig verder. Jes. 53:10




















