18.1 – Twee woorden voor verzoening

0
5

De weldaden die Christus door zijn grote liefde voor ons verworven heeft, zijn zo rijk dat ze haast niet op te sommen en nooit op hun volle waarde te schatten zijn. Ze omvatten immers niet minder dan de hele en volkomen zaligheid. Ze bestaan uit verlossing van het grootste kwaad, de zonde met al haar gevolgen van ellende en dood, en uit het schenken van het hoogste goed, de gemeenschap met God en al haar zegeningen. Later komen die weldaden breder ter sprake. Maar hier moeten ze toch even vermeld worden, om ons het werk van Christus in zijn diepe betekenis beter te laten begrijpen.

Onder al de weldaden die we aan Christus’ diepe vernedering te danken hebben, staat de verzoening bovenaan. Die wordt in het Nieuwe Testament door twee woorden uitgedrukt, die in onze vertaling helaas op dezelfde manier zijn vertaald. Het ene woord (of liever verschillende woorden, maar van dezelfde stam) komt voor in Romeinen 3:25, Hebreeën 2:17 en 1 Johannes 2:2 en 4:10 en is de vertaling van een Hebreeuws woord dat oorspronkelijk bedekken betekent en daarna de verzoening aanduidt die teweeggebracht wordt door het offer. Er ligt de gedachte in dat het offer, of liever het offerbloed – want het bloed als zetel van het leven is, wanneer het uitgestort en gesprenkeld wordt, het eigenlijke zoenmiddel Lev. 17:11, Heb. 9:12 – de zonde (schuld, onreinheid) van de offeraar voor Gods aangezicht bedekt en zo van haar kracht en effect, om God tot toorn te verwekken, berooft. Vanwege het uitstorten en sprenkelen van het bloed, waarin het leven – de ziel van een onschuldig en gebrekloos dier, wordt uitgegoten – legt God zijn toorn af, verandert Hij zijn gezindheid tegenover de zondaar, vergeeft Hij hem zijn overtreding en laat Hij hem weer toe in zijn tegenwoordigheid en gemeenschap. En de vergeving, die na de verzoening ingaat, is dan zo volkomen dat ze een uitwissen, Ps. 51:3, 51:11, Jes. 43:25, 44:22 een achter de rug werpen, Jes. 38:17 een werpen van de zonden in de diepten van de zee Micha 7:19 genoemd kan worden. De verzoening doet de zonden zo volkomen teniet alsof ze nooit waren bedreven. Ze verdrijft de toorn en laat Gods aangezicht in vaderlijke gunst en welbehagen over zijn volk lichten.

In het Oude Testament verwees dit alles naar het offer van Christus in de toekomst. In het Nieuwe Testament is dit alles volkomen in Christus vervuld. Hij is de hogepriester, die door zijn offerbloed onze zonden voor Gods aangezicht bedekt, zijn toorn afwendt en ons in zijn genade en gunst laat delen. Hij is het zoenmiddel, Rom. 3:25 de verzoening, 1 Joh. 2:2, 4:10 die als hogepriester voor ons actief is bij God en de zonden van het volk verzoent. Heb. 2:17 Er zijn er wel velen die zo’n objectieve verzoening van Christus bij God voor ons verwerpen en zeggen dat God liefde is, dat Hij niet verzoend hoeft te worden en dat zo’n verzoening alleen thuis hoort in een lagere, wettische, oudtestamentische gedachte over God, die in het Nieuwe Testament juist veroordeeld en terzijde is gesteld. Maar ze vergeten dat de zonde niet pas in de Mozaïsche wet, maar ook daarvoor en daarbuiten en ook in het Nieuwe Testament vanwege haar schuldige en onheilige karakter Gods toorn opwekt en straf verdient, Gen. 2:17, 3:14 e.v., Rom. 1:18, 5:12, 6:23, Gal. 3:10, Ef. 2:3 dat Christus en zijn offer niet alleen een gave en openbaring van Gods liefde, maar ook van zijn gerechtigheid is Luk. 24:46, Hand. 4:28, Rom. 3:25 en dat Gods vergevende liefde de verzoening niet uitsluit maar veronderstelt en bevestigt. Want vergeving is altijd een volkomen vrijwillige en genadige daad van God. Ze berust op de gedachte dat God het recht heeft om te straffen en bestaat nu uit een zodanige kwijtschelding van de straf die in overeenstemming is met de handhaving en erkenning van dat recht. Wanneer je daarentegen aan God van tevoren het recht om te straffen ontneemt, doe je niet alleen tekort aan het schuldige en onheilige karakter van de zonde, maar kun je ook Gods genadige, vergevende liefde niet tot haar recht laten komen. Die houdt op een persoonlijke, vrijwillige, genadige daad te zijn en wordt veranderd in een natuurproces. De Schrift echter leert dat Sion door recht verlost wordt en dat Christus door zijn offer aan dat recht van God heeft voldaan en zijn ongenoegen over de zonde verzoend heeft. Jes. 1:27, Rom. 5:9-10, 2 Kor. 5:18, Gal. 3:13

Van deze objectieve verzoening, die Christus voor ons bij God teweeggebracht heeft, is nu de andere verzoening onderscheiden, die in het Nieuwe Testament door een ander, tweede woord wordt aangeduid. Dit woord komt voor in Romeinen 5:10-11 en 2 Korinthiërs 5:18-20, heeft oorspronkelijk de betekenis van wisselen, ruilen, verrekenen, vereffenen en duidt in de genoemde plaatsen de nieuwe, genadige gezindheid aan die God op grond van het door Christus gebrachte offer tegenover de wereld heeft aangenomen. Omdat Christus door zijn dood onze zonde bedekt en Gods toorn afgewend heeft, stelt God zich in een andere, verzoende relatie tot de wereld. En Hij zegt dit tegen ons in zijn evangelie, dat daarom het woord van de verzoening heet.

Ook deze verzoening is iets objectiefs. Die is niet iets dat pas door ons geloof en onze bekering tot stand komt, maar ze rust op de verzoening (voldoening) die Christus verworven heeft. Ze bestaat uit de verzoende, genadige relatie van God tot ons en wordt door ons ontvangen en aangenomen door het geloof. Rom. 5:11 Omdat God zijn vijandige gezindheid op grond van de dood van Christus heeft afgelegd, worden wij vermaand om ook van onze kant onze vijandschap af te leggen, ons met God te laten verzoenen en de nieuwe, verzoende relatie waarin God zich tot ons stelt, binnen te gaan. Alles is volbracht, er blijft voor ons niets over om te doen. We mogen met heel onze ziel en voor altijd rusten in het volkomen verlossingswerk dat Christus heeft verricht. We mogen het door het geloof aannemen dat God zijn toorn heeft afgelegd en in Christus voor schuldige en onheilige zondaren een verzoende God en Vader is.

Wie dit evangelie van de verzoening van harte gelooft, ontvangt meteen in principe alle andere weldaden die door Christus verworven zijn. Want in de vredeverhouding waarin God zich in Christus tot de wereld plaatst, liggen alle andere goederen van het genadeverbond opgesloten. Christus is één en kan niet gedeeld en evenmin voor de helft aangenomen worden. De keten van het heil is onverbrekelijk: hen die God er van tevoren voor bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt. Rom. 8:30 Allen dus die met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon, ontvangen de vergeving van de zonden, de aanneming als kinderen, de vrede bij God, het recht op het eeuwige leven en de hemelse erfenis. Rom. 5:1, 8:17, Gal. 4:5 Ze staan in gemeenschap met Christus, zijn met Hem gekruisigd, begraven, opgewekt en in de hemel gezet en worden meer en meer gelijkvormig aan zijn beeld. Rom. 6:3 e.v., 8:29, Gal. 2:20, Ef. 4:22-24 Ze ontvangen de Heilige Geest, die hen vernieuwt, in de waarheid leidt, van hun kindschap getuigt en hen verzegelt tot de dag van de verlossing. Joh. 3:6, 16:13, Rom. 8:15, 1 Kor. 6:11, Ef. 4:30 In deze gemeenschap met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn de gelovigen vrij van de wet Rom. 7:1 e.v., Gal. 2:19, 3:13, 3:25, 4:5, 5:1 en zijn ze verheven boven alle macht van wereld en dood, van hel en satan. Joh. 16:33, Rom. 8:38, 1 Kor. 15:55, 1 Joh. 3:8, Op. 12:10 God is vóór hen. Wie zal dan tegen hen zijn? Rom. 8:31

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in