17.7 – Christus’ dood

0
10

Heel dit leven van Jezus loopt, zowel in zijn profetische en koninklijke als in zijn priesterlijke werkzaamheid, uit op de dood. De dood is de voltooiing van zijn leven. Jezus kwam om te sterven. Zelf was Hij zich daarvan helder bewust. Al bij zijn eerste, openbare optreden in de synagoge van Nazareth paste Hij de profetie over de lijdende knecht van de Heer toe op zichzelf Luk. 4:16 e.v. en was Hij zich er dus ook helder van bewust dat Hij als een lam naar de slacht zou worden geleid. Hij was het Lam dat de zonde van de wereld wegneemt. Joh. 1:29 De tempel van zijn lichaam zou afgebroken, maar ook na drie dagen weer opgericht worden. Joh. 2:19 Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet volgens Gods raad de Mensenzoon verhoogd worden aan het kruis. Joh. 3:14, vg. 12:32-33 Hij was het tarwe­graan dat in de aarde moest vallen en sterven moest om vrucht voort te brengen. Joh. 12:24

Zo duidt Jezus al vanaf het begin van zijn openbare werkzaamheid, onder beelden en gelijkenissen, de dood als het einde van zijn leven aan. Maar naarmate dat einde naderde, drukte Hij zich helderder en meer onomwonden uit. Vooral nadat Petrus in naam van alle leerlingen, in een beslissend uur, bij Caesarea Filippi Jezus als de Christus, de Zoon van de levende God, beleden had, begon Hij hun te laten zien dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel moest lijden van de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood moest worden en op de derde dag moest worden opgewekt. Mat. 16:21 De leerlingen begrepen dit niet en wilden er niets van weten. Petrus nam Hem zelfs vertrouwelijk apart en begon Hem te bestraffen, door te zeggen: ‘Heer, God zij u genadig, dit zal beslist niet met U gebeuren!’ Maar Jezus zag daarin een verzoeking en gaf hem streng als antwoord: ‘Ga weg achter mij, satan! Je bent een struikelblok voor Mij, want je bedenkt niet de dingen van God, maar die van de mensen.’ Mat. 16:22-23 Deze standvastigheid van Christus om zich aan de dood over te geven, ontvangt dan ook weinig dagen daarna op de berg van de verheerlijking het zegel van de goddelijke goedkeuring. Zijn gang naar Jeruzalem is in overeenstemming met de inhoud van wet en profeten (Mozes en Elia) en met de wil van de Vader. Hij blijft de geliefde Zoon, in wie de Vader zijn welbehagen heeft, en de leerlingen mogen Hem niet, zoals Petrus, bestraffen, maar moeten eerbiedig en onderworpen naar Hem luisteren. Mat. 17:1-8

Toch wordt die dood niet door Jezus opgezocht. Hij daagt de farizeeën en schriftgeleerden niet uit om de handen aan Hem te slaan. Al weet Hij dat zijn uur gekomen is, Joh. 12:23, 17:1 het is toch Judas die Hem vrijwillig verkoopt en verraadt, het zijn de dienaren van de overpriesters en farizeeën die Hem gevangen nemen, het zijn de leden van het Sanhedrin en de stadhouder Pontius Pilatus die Hem veroordelen en ter dood brengen. Gods raad sluit de historische omstandigheden niet uit en doet de schuld van de mensen niet teniet. Integendeel, door de bepaalde raad en voorkennis van God is Hij overgegeven, maar zo dat de Joden Hem genomen hebben en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood hebben. Hand. 2:23, 4:28

Deze dood van Christus staat in het middelpunt van de apostolische verkondiging, niet pas later, maar al vanaf het begin Hand. 2:23 e.v., 3:14 e.v., 4:10 e.v. enz. en niet alleen bij Paulus, maar bij alle apostelen. Pas na de opstanding van Christus werd door het onderwijs van de Heilige Geest de noodzaak en de betekenis van Jezus’ lijden en sterven begrepen. Dat lijden en sterven was zeker ook een vervulling van zijn profetische werkzaamheid, een bewijs van de waarheid van zijn leer en een bezegeling van heel zijn leven. Hij heeft immers onder Pontius Pilatus de goede belijdenis afgelegd 1 Tim. 6:13 en in zijn onschuldig en geduldig lijden ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij zijn voetsporen zouden volgen. 1 Pet. 2:21 Hij is de betrouwbare Getuige, Op. 1:5, 3:14 die als apostel en hogepriester de werkmeester en de inhoud van onze belijdenis is Heb. 3:1 en het geloof in ons verwekt en voltooit. Heb. 12:2 En zo is de dood van Christus ook een openbaring van zijn koninklijke macht. Want zijn dood was geen lot dat Hij moest ondergaan, maar een daad die Hij zelf gewillig en vrijwillig volbracht. Joh. 10:17-18 Zijn sterven aan het kruis was een verhoogd worden boven de aarde en een zegepraal over zijn vijanden, Joh. 3:14, 8:28, 12:32, 12:34 omdat het de volmaakste gehoorzaamheid was aan het gebod van de Vader. Joh. 14:31

Maar bij deze betekenis van de dood van Christus mogen wij toch volgens het apostolisch onderwijs niet blijven staan. Jezus was in zijn sterven niet alleen een getuige en een leidsman, een martelaar en een held, een profeet en een koning. Hij was daarin bovenal ook actief als een priester. Zijn hogepriesterlijk ambt komt in zijn dood het sterkst en het duidelijkst op de voorgrond. Zijn sterven was volgens de leer van heel de Heilige Schrift een offer dat door Hem vrijwillig aan de Vader werd gebracht.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in