Op deze manier werd Jezus op de openbare uitoefening van zijn ambten voorbereid en ingeleid tot het waarnemen ervan. Van deze ambten treedt nu in de eerste tijd het profetisch ambt het sterkst op de voorgrond. Al spoedig nadat Hij zijn openbare werkzaamheden begon, werd Hij door het volk niet alleen erkend als een leraar (rabbi, meester), maar ook gehuldigd als een profeet. Na de opwekking van de jongen in Naïn riep de menigte: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan,’ en: ‘God heeft naar zijn volk omgezien.’ Luk. 7:16 En zo bleef het tot het einde van zijn leven toe. Om zijn woorden en zijn wonderen hielden velen Hem voor een profeet, hoewel ze van zijn priester- en koningschap geen besef hadden en zelfs afkerig waren. Ja, als een profeet, als een mens, die meer dan anderen ons iets kan leren over God en goddelijke dingen, wordt Hij tot op de dag van vandaag geëerd door allen die aan godsdienst nog enige waarde hechten. Dat Christus een priester en een koning zou zijn, wordt door hen bestreden en als een verouderde Joodse voorstelling beschouwd. Maar een profeet wordt Hij graag genoemd. Zelfs Mohammed kent Hem in de Koran deze waardigheid toe.

Maar Jezus zelf wilde nog in een andere en hogere zin profeet zijn dan waarin vele Joden Hem als zodanig erkenden. Toen Hij, nadat Hij door Johannes gedoopt en in de woestijn verzocht was, naar Galilea terugkeerde, trad Hij spoedig daarna in de synagoge in Nazareth op en paste de profetie van Jesaja op zichzelf toe. Jes. 11:1 De Geest van de Heer was op Hem, om de armen het evangelie te verkondigen en de gebrokenen van hart te genezen. Luk. 4:16 e.v. Hij gaf zich niet uit voor een profeet naast, maar hoog boven alle anderen. De vroegere profeten waren dienaren, maar Hij is de Zoon. Mat. 21:37 Hij is de enige Meester. Mat. 23:8, 23:10, Joh. 13:13-14 Zo heeft Hij wel met alle profeten de gaven van de roeping en zalving, van de openbaring en prediking van Gods woord, van de voorspelling en van de wondermacht gemeen. Maar Hij gaat toch hoog boven hen allen uit en is ver boven hen verheven. Zijn roeping en zalving vallen al in de eeuwigheid. Zijn afzondering en bekwaammaking begonnen al in de wonderlijke ontvangenis van de Heilige Geest. Bij de doop ontvangt Hij de Geest zonder mate en wordt Hij door een stem uit de hemel uitgeroepen als de geliefde Zoon, in wie de Vader zijn welbehagen heeft. Hij ontvangt niet enkele openbaringen, van tijd tot tijd, maar Hij is zelf Gods volle openbaring, het Woord dat bij God en zelf God was en in de tijd vlees werd. Hij was en bleef voortdurend in de schoot van de Vader en sprak en deed in heel zijn leven nooit iets anders dan waartoe Hij een gebod had ontvangen. Hij gaf daarom ook niet een gedeelte van de openbaring, dat later door anderen aangevuld moest worden, maar Hij is tegelijk de volkomen en de alle vorige profetie vervullende en afsluitende openbaring van God. In het verleden heeft God vele malen en op allerlei manieren tot de vaderen gesproken door de profeten, maar Hij heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon. Heb. 1:1 Ja, de profetie die in de oude bedeling naar de vaderen is uitgegaan, is aan Hem te danken. Het was de Geest van Christus die in de profeten getuigde 1 Pet. 1:11 en zijn getuigenis had de Christus als inhoud. Op. 19:10
De prediking van Christus was daarom in de diepste zin zelfprediking, een verkondiging van zijn eigen persoon en werk. Toen Hij optrad, sloot Hij zich aan bij Johannes en de oudtestamentische profeten: ‘Het koninkrijk van God is dichtbij gekomen, bekeer je en geloof het evangelie.’ Mat. 3:2, 4:17 Maar de vorige profeten en ook Johannes de Doper waren wegbereiders en zagen het Godsrijk nog in de toekomst. Mat. 11:10-11 Nu is echter de tijd vervuld en in de persoon van Christus het koninkrijk zelf uit de hemel op aarde neergedaald. Want weliswaar is God er de Koning en tegelijk de Vader van. Mat. 5:16, 5:35, 5:45 enz. Maar de Vader heeft het voor Hem bestemd, opdat Hij het volgens het welbehagen van de Vader aan zijn leerlingen zou schenken. Mat. 11:27, Luk. 12:32, 22:29
Van dat koninkrijk ontvouwt Christus in zijn prediking de oorsprong en de aard, de weg die erheen leidt en de goederen die het bevat, de langzame ontwikkeling en de uiteindelijke voltooiing. Maar Hij deed dat niet door filosofische redeneringen of theologische verhandelingen. Nee, Hij bediende zich van spreuk en gelijkenis, ontleende zijn beelden aan de verschijnselen in de natuur of aan de voorvallen in het dagelijks leven en sprak tot de menigte altijd op zo’n levendige en beeldende manier dat ze het horen en verstaan kon. Mar. 4:33 Als velen toch zijn woorden niet begrepen en er zich tegen verzetten, dan was dat een bewijs van de hardheid van hun harten en tegelijk van het welbehagen van de Vader, die de dingen van het koninkrijk voor de wijzen en verstandigen verborgen houdt en aan de kleine kinderen openbaart. Mat. 11:27, 13:13-15 Maar in zichzelf waren ze altijd eenvoudig en verstaanbaar, al gingen ze ook over de diepste mysteries van Gods koninkrijk. Want Hij is er zelf in zijn persoon de Zoon en de erfgenaam, de beschikker en de uitdeler, de openbaarder en de uitlegger van. Jezus heeft ons in zijn verschijning, in zijn woord en in zijn werk de Vader verklaard. Joh. 1:18, 19:6 Wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien. Joh. 14:9
Het woord dat Christus verkondigde, was daarom in het wezen van de zaak geen ander woord dan wat al in de dagen van het Oude Testament bekendgemaakt was. Het bevatte zowel wet als evangelie, maar Jezus was geen nieuwe wetgever, die Gods wet uit het Oude Testament aanvulde en verbeterde. En het evangelie dat door Hem verkondigd werd, was geen ander evangelie, dan het evangelie dat al vanaf het paradijs door God geopenbaard was. Jezus kwam niet op aarde om wet en profeten te ontbinden, maar te vervullen. Mat. 5:17 En Hij heeft ze vervuld, door ze van alle valse uitleggingen en menselijke toevoegingen te reinigen en door ze in zijn eigen persoon en werk tot hun volle verwezenlijking te brengen. Daarom staat Christus in een andere verhouding tot de wet dan Mozes en in een andere verhouding tot het evangelie dan de profeten. Want de wet is wel door Mozes gegeven en het evangelie is wel door profeten verkondigd, maar de genade en waarheid zijn er gekomen door Jezus Christus. Joh. 1:17 Mozes droeg de wet op twee stenen tafelen in zijn hand en had bij die overbrenging heel goed door een ander vervangen kunnen worden. En zo waren ook de profeten wel predikers van het evangelie, maar zij waren niet het evangelie zelf. Christus echter droeg de wet in het binnenste van zijn ingewanden en volbracht de wil van God volkomen en zonder enig gebrek. En Hij was niet slechts een verkondiger van het evangelie, maar de inhoud van dat evangelie zelf, de grootste gave die God aan de wereld geschonken heeft. De genade en de waarheid zijn er door Hem gekomen en zijn onafscheidelijk van zijn persoon.




















