Hoewel Hij gezalfd is van eeuwigheid en als Middelaar van het genadeverbond ook al voorbereidend actief was in de dagen van het Oude Testament, heeft Christus de ambten van profeet, priester en koning pas volledig en daadwerkelijk op zich genomen toen Hij in de wereld kwam en sprak: ‘Zie, ik kom om uw wil te doen, o God.’ Toen nam Hij immers pas de menselijke natuur aan, die Hem in staat stelde tot het verrichten van zijn middelaarswerk. Hij moest mens zijn, om de mensen Gods naam te kunnen openbaren, om te kunnen lijden en sterven aan het kruis, om als koning van de waarheid aan de waarheid getuigenis te kunnen geven.

Zijn ontvangenis van de Heilige Geest was daarom tegelijk al een aanvankelijke bekwaammaking van de menselijke natuur van Christus voor de taak waartoe Hij later geroepen zou worden. Er is tegen de belijdenis dat Christus ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria in de laatste tijd allerlei bezwaar ingebracht en er zijn vele pogingen gedaan om dit verhaal van Mattheüs en Lukas te verklaren als een Joods of heidens inkruipsel in het oorspronkelijk evangelie. Maar de uitkomst is geweest dat de waarheid van deze geschiedenis bevestigd is en helderder dan vroeger aan het licht is gekomen. Ze valt niet af te leiden uit het jodendom en ook niet uit het heidendom, maar berust – zo blijkt ook uit de taal waarin ze bij Mattheüs en Lukas beschreven is – op het getuigenis van Jozef en Maria. Natuurlijk was deze wonderlijke ontvangenis lange tijd alleen aan Jozef en Maria en misschien aan enkele vertrouwden meer bekend. Maar ze leende zich uit de aard van de zaak niet voor openbare mededeling.
Pas later, toen door de woorden en werken en vooral ook door de opstanding van Christus gebleken was wie en wat Hij was, pas toen ging Maria ertoe over om dit geheim van Jezus’ ontvangenis in nauwe kring aan de leerlingen mee te delen. Toch trad ook daarna deze ontvangenis van de Heilige Geest in de apostolische prediking nooit op de voorgrond. Ze wordt misschien in Markus 6:4, Johannes 1:13 (7:41-42), Romeinen 1:3-4 en 9:5, Filippenzen 2:7 en Galaten 4:4 verondersteld, maar behalve bij Mattheüs en Lukas nergens uitdrukkelijk vermeld. Ondanks dat is ze een wezenlijk bestanddeel van het evangelie en komt ze met heel de leer van de Heilige Schrift over de persoon van Christus overeen. Hij was immers de eniggeboren Zoon, die als het Woord al in het begin bij God en zelf God was, die zelf bij de ontvangenis actief optrad en voor zichzelf door de werking van de Heilige Geest een echte en volkomen menselijke natuur gereedmaakte in Maria’s schoot. Fil. 2:6-7 In Hem werd de profetie van Jesaja vervuld dat een maagd (een jonge, ongehuwde vrouw) zwanger zou worden en een zoon zou baren, die Immanuel zou zijn en de namen zou dragen van Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Jes. 7:14, 9:5, vg. Mat. 1:28
Door deze ontvangenis van de Heilige Geest was de menselijke natuur van Christus van het allereerste ontstaan af volkomen vrij van alle zonde. Aangezien de Zoon van God al van tevoren als persoon bestond en zich niet met een bestaand mens verbond, maar zijn menselijke natuur zelf uit Maria’s schoot door de werking van de Heilige Geest voor zich gereedmaakte, viel Hij niet onder het werkverbond, had Hij geen erfschuld te dragen en mocht Hij dus ook niet door enige smet van de zonde verontreinigd worden. De leer van Rome, dat Maria al onbevlekt ontvangen zou zijn en zondeloos geleefd zou hebben, is onnodig, ongegrond en zelfs in strijd met wat de Schrift over Maria getuigt. Joh. 2:4, Mar. 3:31, Luk. 11:28 Maria genoot een hoge eer, groter dan ooit aan profeten of apostelen ten deel is gevallen. Ze is de begenadigde onder de vrouwen en de moeder van de Heer. Luk. 1:42-43 Maar in zichzelf was ze aan alle mensen gelijk. En het Heilige dat uit haar geboren werd, Luk. 1:35 was niet aan de reinheid van haar natuur te danken, maar aan het scheppende en heiligende werk van de Heilige Geest in haar schoot.
Al was de menselijke natuur die Christus uit Maria aannam een heilige natuur, ze was ondanks dat toch een zwakke menselijke natuur. Dat wordt in de Schrift uitgedrukt doordat Hij niet slechts mens, maar vlees werd, Joh. 1:14 dat Hij gezonden is in de gedaante van het zondige vlees, Rom. 8:3 dat Hij de gestalte van een slaaf heeft aangenomen Fil. 2:7 en dat Hij in alles aan ons gelijk is geworden, uitgezonderd alleen de zonde. Heb. 2:17, 4:15 Zo’n zwakke menselijke natuur moest Christus aannemen om verzocht te kunnen worden, om uit het lijden gehoorzaamheid te kunnen leren, om te kunnen strijden en in de strijd zich te kunnen heiligen, om medelijden te kunnen hebben met onze zwakheden en een barmhartige en trouwe hogepriester te zijn, kortom, om te kunnen lijden en sterven. Hoewel Hij aan Adam vóór de val gelijk was doordat Hij zonder zonde was, verschilde Hij toch in andere opzichten heel erg van hem. Want Adam werd ineens volwassen geschapen, maar Christus werd ontvangen in Maria’s schoot en werd geboren als een hulpeloos kindje. Bij de komst van Adam stond alles voor hem gereed, maar toen Christus op aarde kwam, had niemand op Hem gerekend en was er zelfs geen plaats voor Hem in de herberg. Adam kwam om te heersen en heel de aarde aan zich te onderwerpen. Christus kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen en zijn ziel te geven als een losprijs voor velen.
De menswording van Gods Zoon was dus niet alleen een daad van neerbuigende goedheid, zoals ze dat nu ook nog in de staat van de verhoging blijft. Nee, ze was tegelijk ook een daad van diepe vernedering. De vernedering is met de ontvangenis zelf begonnen en heeft zich heel het leven door tot in de dood en het graf toe voortgezet. Christus is geen menselijke held geweest, die het excelsior (steeds hoger) tot leus heeft, alle bezwaren overwint en ten slotte op het hoogtepunt van zijn roem staat. Nee, Hij is omgekeerd steeds dieper gedaald en steeds inniger onze gemeenschap binnengegaan. Langs verschillende trappen als het ware, van ontvangenis en geboorte, verborgen en nederig leven in Nazareth, doop en verzoeking, tegenstand, miskenning en vervolging, lijden in Gethsemané, veroordeling door Kajafas en Pilatus, kruisiging, dood en begrafenis, is Hij naar beneden gedaald, steeds verder van het vaderhuis af, steeds dichter naar ons toe in de gemeenschap van onze zonde en onze dood, totdat Hij ten slotte in de diepste diepte zijn bange klacht slaakte over zijn verlatenheid door God, maar toen ook de overwinningskreet kon laten horen van: ‘Het is volbracht!’
Tot deze vernedering behoren, behalve de ontvangenis en de geboorte zelf, ook de eenvoudige omstandigheden waaronder Jezus in Bethlehem in een stal geboren werd, de vervolging waaraan Hij door Herodes werd blootgesteld, de vlucht naar Egypte, waartoe Hij met zijn ouders genoodzaakt werd, maar verder ook het stille verborgen leven dat door Jezus in zijn kinder- en jongvolwassen jaren in Nazareth geleid werd. Er staat daarover in de evangeliën heel weinig opgetekend, want het is absoluut niet hun bedoeling om in de nieuwerwetse zin van het woord een ‘leven van Jezus’ te schrijven. Nee, ze nemen zich voor om ons Jezus te laten kennen als de Christus, de Zoon van God, de Zaligmaker van de wereld en de eniggeborene van de Vader. In verband met dit doel is het weinige dat ons uit Jezus’ jeugd bericht wordt voldoende.
Mattheüs vertelt ons namelijk dat Jezus na de terugkeer uit Egypte met zijn ouders is gaan wonen in Nazareth in Galilea. Mat. 2:23 Daar had zijn moeder al eerder gewoond Luk. 1:26 en daar bracht Jezus zijn leven door tot aan zijn openbaar optreden onder Israël. Luk. 2:39, 2:51, Mar. 1:9 Pas nadat Hij in hun synagoge was opgetreden en door zijn stadgenoten was uitgeworpen, ging Hij in Kapernaüm wonen. Luk. 4:28 e.v., Mat. 4:13 Maar Hij bleef toch altijd de naam de Nazarener behouden. En Mattheüs zag daarin een vervulling van de oudtestamentische profetie. Mat. 2:23 Maar niet van één enkele uitspraak, want Nazareth en Nazarener komen nergens in het Oude Testament voor, maar van de profetie in haar geheel, zoals die bij alle profeten te vinden is, namelijk dat de Christus een nederige, geringe oorsprong zou hebben Jes. 11:1 en dat het licht over de volken zou opgaan in de duisternis van het Galilea van de heidenen. Jes. 8:23, 9:1
Uit het stille leven dat Jezus jarenlang in Nazareth leidde, weten we nu dat Hij een kind was dat aan zijn ouders onderdanig was. Luk. 2:51 Als een kind groeide Hij lichamelijk en geestelijk op en nam Hij toe in wijsheid en in gunst bij God en de mensen. Luk. 2:40, 2:52 Op twaalfjarige leeftijd ging Hij, voor de eerste of voor de tweede keer, met zijn ouders mee naar Jeruzalem om daar het paasfeest te vieren Luk. 2:41 e.v. en toonde Hij niet alleen in het midden van de Joodse leraren door vragen en antwoorden zijn wijsheid, Luk. 2:46 maar openbaarde Hij ook aan zijn ouders dat Hij zich bewust was van zijn roeping, dat Hij als de Zoon moest zijn in de dingen (of in het huis) van zijn Vader. Luk. 2:49 Op de sabbatdag ging Hij volgens zijn gewoonte naar de synagoge Luk. 4:16 en in de week was Hij misschien zijn vader in het ambacht behulpzaam. In elk geval wordt Hij later ook zelf de timmerman genoemd. Mar. 6:3 Op deze stille jaren werpt zijn latere leven in zoverre nog licht dat we daaruit weten dat Hij kon lezen en schrijven, doorvoed was met het Oude Testament, het wezen van de farizese en sadducese partij doorzag, de morele nood van het volk kende, op de hoogte was van het burgerlijk en maatschappelijk leven, de natuur liefhad en zich dikwijls afzonderde om in de eenzaamheid gemeenschap te oefenen met God. Hoe gering al deze gegevens nu ook wezen mogen, ze wijzen er toch allemaal op dat Jezus zich in de verborgen jaren van zijn leven voorbereidde op de taak die Hem later in het openbaar zou wachten. Steeds helderder werd Hij zich als mens bewust van wat Hij was en wat Hij doen moest. Zijn zoonschap en zijn messianiteit, met alles wat daaraan verbonden was en daaruit voortvloeide, kwamen Hem steeds helderder voor de geest te staan. En eindelijk brak op dertigjarige leeftijd de dag aan waarop Hij geopenbaard zou worden aan Israël. Joh. 1:31
Aanleiding voor deze verschijning in het openbaar was de prediking waarmee Johannes de Doper in het zuiden, in de woestijn van Judea, begonnen was. Door God gezonden om Israël aan te zeggen dat het ondanks zijn afstamming uit Abraham, zijn besnijdenis en zijn eigen gerechtigheid, schuldig en onrein was en de doop van de bekering tot vergeving van de zonden nodig had, verwekte deze godsgezant door zijn boeteprediking een machtige beweging onder het Joodse volk en bereidde hij de weg voor de komende Messias. Velen liepen naar hem uit, van Jeruzalem en Judea en het hele land rondom de Jordaan, om door hem gedoopt te worden, terwijl ze hun zonden beleden. Ook Jezus vernam in Galilea van deze prediking en begaf zich naar Judea, om evenals anderen door Johannes gedoopt te worden. Hoewel Johannes bezwaar maakte, omdat hij in Jezus de Messias erkende, die alleen zelf werkelijk met de Heilige Geest en met vuur kon dopen en zelf voor zijn persoon aan de doop geen behoefte had, drong Jezus er bij hem op aan. Hij zei dat Hij de doop moest ondergaan omdat het Hem betaamde alle gerechtigheid te vervullen. Mat. 3:15
Jezus zegt dus niet dat Hij gedoopt moest worden omdat Hij bekering en vergeving nodig had. Hij legde ook niet, zoals de anderen, een belijdenis van zonden af. Maar hij zag in Johannes een profeet, ja veel meer dan een profeet, zijn eigen voorloper en wegbereider, Mat. 11:7-14 en in zijn doop zag Hij niet een willekeurig, door Johannes zelf bedacht ritueel, maar een opdracht die hij uit de hemel ontvangen had. Mar. 11:30 De doop van Johannes berustte dus op Gods wil en was een onderdeel van de gerechtigheid die Jezus moest vervullen. Als Jezus die doop ondergaat, onderwerpt Hij zich dus aan de ene kant volkomen aan de wil van zijn Vader en stelt Hij zich aan de andere kant in de innigste gemeenschap met het volk dat in de doop bekering en vergeving van de zonden ontvangt. De doop door Johannes is voor Jezus de plechtige overgave aan heel de wil van de Vader, de openbare intrede in de gemeenschap met heel zijn volk, de koninklijke ingang tot zijn messiaanse loopbaan.
Daarom had de doop voor Hem een betekenis die verschilde van die bij alle anderen. Hij ontving er niet persoonlijk voor zichzelf het teken en zegel in van zijn bekering en vergeving. Nee, Hij werd erin gedoopt met de Heilige Geest en met vuur, zoals Hij zelf die alleen kan geven. In latere tijd hebben sommige sekten gemeend dat pas op het moment van de doop de goddelijke natuur of kracht (de Christus) zich met de mens Jezus verenigd had. Deze opvatting is een dwaling, omdat die de vleeswording van het Woord in de ontvangenis miskent. Maar zeker is toch dat de doop van Jezus de volle bekwaammaking voor zijn ambt is geweest. Want toen Hij opklom uit het water, werden de hemelen geopend, daalde Gods Geest op Hem neer en werd er een stem uit de hemelen gehoord, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn Geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.’ Mat. 3:16-17 Al werd het door slechts weinigen begrepen, de dag van Jezus’ doop was de dag van zijn openbaring aan Israël en het begin van zijn openbare werk als Messias.
Toch, voordat Hij dit werk begint, trekt Hij zich nog enige dagen terug in de eenzaamheid van de woestijn. Hij ontmoette geen enkel mens, was alleen omringd door de stille natuur en de wilde dieren en gaf zich over aan vasten, meditatie en gebed. Mat. 4:2, Mar. 1:13, Luk. 4:2 Van welke aard deze meditatie geweest is, wordt ons uit het verhaal van de verzoeking enigszins duidelijk. De verzoeking door satan die aan het einde van de veertig dagen plaatsvond en door Mattheüs en Markus uitvoerig verhaald wordt, vormde een hoogtepunt in de strijd die Hij moest voeren, maar was lang niet de enige verzoeking. Lukas zegt uitdrukkelijk dat Hij al die veertig dagen verzocht werd door de duivel Luk. 4:2 en dat de duivel, nadat hij alle verzoeking voltooid had, voor een tijd van Hem week. Luk. 4:13 Jezus is immers ook in alle dingen verzocht zoals wij, maar zonder zonde. Heb. 4:15
Maar de verzoeking in de woestijn ging over het plan van zijn openbare werk. Na de doop was Hij nu vol van de Heilige Geest Luk. 4:1 en die leidde Hem zelf naar de woestijn om verzocht te worden door de duivel. Mat. 4:1 Verder was Jezus zich er nu volledig en heel helder van bewust dat Hij de Zoon van God, de Messias was en over goddelijke krachten kon beschikken. Maar hoe zou Hij die macht gebruiken? Zou Hij die aanwenden om zelfzuchtig in eigen behoefte te voorzien, of om door roemruchte wondertekenen het volk voor zich te winnen, of om door middel van een knieval voor wereldse macht een aards koninkrijk voor zich te verwerven? De verzoeker stelt Hem achtereenvolgens op al deze drie punten op de proef. Maar Jezus blijft in al die verzoekingen overeind. Hij klemt zich vast aan en slaat ze alle af met Gods Woord, Hij onderwerpt zich aan de wil en de weg van de Vader, Hij bevestigt zichzelf in zijn gehoorzaamheid en Hij heiligt zich voor God als een offer. Niet alleen weet Hij zo door eigen ervaring wat het is om verzocht te worden en kan Hij medelijden hebben met onze zwakheden. Maar omdat Hij niet zoals Adam bezweken, maar staande gebleven is, kan Hij ook degenen die verzocht worden, te hulp komen. Heb. 2:18, 4:15




















