Door deze vereniging beschikt Christus in de eenheid van zijn persoon over al de eigenschappen en krachten die aan beide naturen eigen zijn. Sommigen hebben nog een sterkere en innigere vereniging van de twee naturen proberen te verkrijgen door te leren dat de beide naturen meteen bij de vleeswording in één godmenselijke natuur zijn samengesmolten, of dat de goddelijke natuur zich van haar eigenschappen ontdeed en neerdaalde tot de beperktheid van de menselijke natuur, of dat de menselijke natuur haar eigenschappen verloor en die van de goddelijke natuur (óf alle, óf sommige, zoals de alomtegenwoordigheid, almacht, alwetendheid en levendmakende kracht) als eigendom ontving. Maar de gereformeerde belijdenis heeft zo’n ineensmelting van beide naturen en zo’n mededeling van eigenschappen door de ene aan de andere natuur altijd verworpen en bestreden. Want zo’n ineensmelting en mededeling kwam neer op verwarring en vermenging van beide naturen en dus op een pantheïstische ontkenning van het wezensonderscheid tussen God en mens, tussen Schepper en schepsel.

Er is wel een innige vereniging tussen beide naturen en hun eigenschappen en krachten. Maar deze vereniging komt tot stand in de eenheid van het persoon. En een sterkere, diepere, inniger vereniging is niet denkbaar. Zoals, ter vergelijking maar niet als gelijkstelling, ziel en lichaam in de ene mens verenigd zijn en toch in wezen en eigenschappen van elkaar onderscheiden blijven, zo is in Christus dezelfde persoon subject van beide naturen met al hun eigenschappen en krachten. De onderscheidenheid van ziel en lichaam is de vooronderstelling en voorwaarde voor de innige vereniging van beiden in de ene mens. En zo vormt ook het onderscheid tussen goddelijke en menselijke natuur de basis voor de vereniging van beiden in de persoon van Christus. De ineensmelting van beide naturen en de mededeling van de eigenschappen van de ene aan de andere natuur brengen geen inniger vereniging tot stand, maar lossen die vereniging op in een vermenging (fusie) en verarmen feitelijk de volheid die er in Christus is. Ze beroven óf de goddelijke, óf de menselijke, óf beide naturen in Christus en verzwakken het woord van de Schrift dat in Hem de volheid van de Godheid lichamelijk woont. Kol. 2:19, 1:9 Die volheid blijft alleen gehandhaafd wanneer beide naturen onderscheiden blijven en hun eigenschappen niet aan elkaar, maar aan de ene persoon meedelen en in zijn dienst stellen. Het is dan altijd dezelfde rijke Christus die in zijn vernedering en verhoging over de eigenschappen en krachten van beide naturen beschikt. En juist daardoor kan Hij de werken tot stand brengen die als middelaarswerken aan de ene kant onderscheiden zijn van de werken van God en aan de andere kant van die van de mensen en die in de geschiedenis van de wereld een eigen plaats innemen.
Door deze twee-naturenleer wordt het grote voordeel verkregen dat alles wat de Heilige Schrift over de persoon van Christus zegt en aan Hem toeschrijft volledig tot zijn recht kan komen. Aan de ene kant is en blijft Hij dan de enige en eeuwige Zoon van God, die met de Vader en de Geest alle dingen geschapen heeft, onderhoudt en regeert Joh. 1:3, Kol. 1:15-16, Heb. 1:2 en daarom object van onze aanbidding mag zijn. Dit laatste was Hij al in de dagen van de apostelen, Joh. 14:13, Hand. 7:59, 9:13, 22:16, Rom. 10:12-13, Fil. 2:9, Heb. 1:6 net zoals Hij toen en nu het object is van het geloof en vertrouwen van al zijn leerlingen. Joh. 14:1, 17:3, Rom. 14:9, 2 Kor. 5:15, Ef. 3:12, 5:23, Kol. 1:27 enz. Maar beide kan en mag Hij niet zijn wanneer Hij niet echt God is, want er staat geschreven: ‘De Heer je God zul je aanbidden en Hem alleen dienen.’ Mat. 4:10 De basis voor de godsdienstige verering en aanbidding van Christus kan alleen liggen in zijn goddelijke natuur, zodat wie die natuur ontkent en toch die verering in stand houdt, zich schuldig maakt aan schepselvergoding en afgoderij. De Godheid van Christus is geen abstract leerstuk, maar voor het leven van de gemeente van het hoogste belang.
Aan de andere kant is Christus toch echt en volkomen mens geworden, in alles aan ons gelijk, behalve de zonde. Hij is zuigeling, kind, jongen en man geweest zoals wij en nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen. Luk. 2:40, 2:52 Dit alles is geen schijn, zoals zij moeten zeggen die de goddelijke eigenschappen het eigendom maken van de menselijke natuur. Nee, het is de volle waarheid. Er was bij Christus een langzame ontwikkeling, een geleidelijke voortgang in grootte van het lichaam, in krachten van de ziel, in gunst bij God en de mensen. De gaven van de Geest werden Hem niet allemaal ineens, maar achtereenvolgens in steeds grotere mate geschonken. Er waren dingen die Hij moest leren en die Hij aanvankelijk nog niet wist. Mar. 13:32, Hand. 1:7 Er was in Hem, al bezat Hij ook het niet-kunnen-zondigen, vanwege zijn zwakke menselijke natuur toch een mogelijkheid om verzocht te worden, om te lijden en te sterven. Zolang Hij op aarde was, was Hij wat betreft zijn menselijke natuur niet in de hemel en heeft Hij dus ook niet door aanschouwen, maar door geloof geleefd. Hij heeft gestreden en geleden en in dit alles zich vastgeklemd aan het woord en de belofte van God. Zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft, zich in de gehoorzaamheid voortdurend bevestigd en langs die weg zichzelf geheiligd. Joh. 17:19, Heb. 5:8-9 Maar tegelijk heeft Hij ons daarmee een voorbeeld nagelaten en is Hij voor allen die Hem gehoorzaam zijn een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden. Heb. 5:9




















