16.7 – Christus was en bleef God, maar werd ook mens

0
40

Er ligt hier in de eerste plaats in opgesloten dat Christus God was en is en eeuwig blijft. Hij was niet de Vader en niet de Geest, maar de Zoon, de eigen, eniggeboren, geliefde Zoon van de Vader. En niet het goddelijk wezen en evenmin de Vader en de Geest, maar de persoon van de Zoon is mens geworden in de volheid van de tijd. En toen Hij mens werd en als een mens op aarde rondwandelde, zelfs toen Hij worstelde in Gethsemané en hing aan het kruis, is Hij de eigen Zoon gebleven, in wie de Vader al zijn welbehagen had. Weliswaar zegt de apostel dat Christus, die in de gestalte van God was en het geen roof achtte om aan God gelijk te zijn, zichzelf leeg gemaakt heeft. Fil. 2:6-7

Maar ten onrechte wordt dit door sommigen zo opgevat dat Christus bij zijn vleeswording, in de staat van de vernedering, zich geheel of gedeeltelijk van zijn godheid ontdaan heeft en zijn goddelijke eigenschappen heeft afgelegd en ze daarna langzamerhand in de staat van zijn verhoging weer heeft teruggenomen. Want hoe zou dat toch mogelijk wezen, aangezien God zich niet verloochenen kan 2 Tim. 2:13 en als de onveranderlijke in zichzelf verheven is boven alle worden en verworden? Nee, ook toen Hij werd wat Hij niet was, bleef Hij wie Hij was, de eniggeborene van de Vader. Maar wel zegt de apostel dat Christus zich leeg gemaakt heeft in de zin dat Hij, die in de gestalte van God was, de gestalte van een mens en een slaaf heeft aangenomen. Om het menselijk en eenvoudig uit te drukken, vóór zijn menswording was Christus niet alleen in wezen en deugden gelijk aan de Vader, maar had Hij ook de gestalte van God. Hij zag eruit als God, Hij was de afstraling van zijn heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van zijn zelfstandigheid. Wie Hem had kunnen zien, zou Hem meteen als God erkend hebben. Maar dat veranderde bij zijn menswording. Toen nam Hij de gedaante aan van een mens, de gestalte van een slaaf. Wie Hem nu zag, kon in Hem niet meer de eniggeboren Zoon van de Vader zien, behalve dan door het oog van het geloof. Hij had zijn goddelijke gestalte en heerlijkheid afgelegd. Hij verborg zijn goddelijke natuur achter de gestalte van een slaaf. Op aarde was Hij en zag Hij eruit als een van ons.

In de tweede plaats ligt er daarom in de vleeswording opgesloten dat Hij die bleef wat Hij was, werd wat Hij niet was. Hij werd dit in een punt van de tijd, op een bepaald ogenblik in de geschiedenis, in het uur toen de Heilige Geest over Maria kwam en de kracht van de Allerhoogste haar overschaduwde. Luk. 1:35 Maar dat neemt toch niet weg dat deze vleeswording eeuwen lang werd voorbereid.

Als je het goed wilt verstaan, kun je zeggen dat zelfs de generatie (voortbrenging) van de Zoon en de creatie (schepping) van de wereld de incarnatie (vleeswording) van het Woord hebben voorbereid. Niet in de zin alsof de generatie en creatie de vleeswording in principe al in zich sloten. Want de Schrift brengt de menswording van de Zoon altijd in verband met de verlossing van de zonde en de verwerving van de zaligheid. Mat. 1:21, Joh. 3:16, Rom. 8:3, Gal. 4:4-5, enz. Maar generatie en creatie, vooral ook de schepping van de mensen volgens Gods beeld, leren toch beide dat God mededeelbaar is, in absolute zin binnen en in relatieve zin buiten het goddelijke wezen. Als dit niet het geval was, zou er voor een menswording van God ook geen ruimte zijn. Wie de menswording van God onmogelijk acht, ontkent in principe ook de schepping van de wereld en de generatie van de Zoon. En wie die laatste erkent, kan tegen de eerste geen principieel bezwaar meer inbrengen.

Maar rechtstreeks is de vleeswording van het Woord voorbereid in de revelatie (openbaring), die meteen na de val begon, in Israëls geschiedenis verdergaat en in de begenadiging van Maria haar hoogste punt bereikte. Heel het Oude Testament is een steeds dichterbij komen van God naar de mens, om dan in de volheid van de tijd blijvend woning in hem te maken.

Omdat de Zoon van God, die in Maria de menselijke natuur aannam, echter al vóór die tijd en van eeuwigheid als persoon van de Zoon bestond, had zijn ontvangenis in Maria’s schoot niet plaats door de wil van het vlees en de wil van de man, maar door de overschaduwing door de Heilige Geest. De vleeswording sluit zich wel bij de voorafgaande openbaring aan en voltooit die, maar ze is zelf geen product van de natuur of de mensheid. Ze is een werk van God, een openbaring, de hoogste openbaring. Zoals het de Vader was die zijn Zoon zond in de wereld en de Heilige Geest die over Maria kwam, zo is het ook de Zoon zelf geweest die deel gekregen heeft aan ons vlees en bloed. Heb. 2:14 De vleeswording is zijn eigen werk. Hij was er niet passief bij. Hij werd zelf vlees, door zijn eigen wil en door zijn eigen daad. Daarom stelt Hij de wil van het vlees en de wil van de man bij zijn menswording terzijde en maakt Hij voor zichzelf een menselijke natuur gereed in Maria’s schoot door de overschaduwing door de Heilige Geest.

Die menselijke natuur bestond niet van tevoren. Die werd niet door Christus uit de hemel meegebracht en van buitenaf in Maria ingedragen en door haar heengeleid. De wederdopers leerden dat, om de zondeloosheid van de menselijke natuur bij Christus te kunnen handhaven. Maar ze wandelden daarbij in het spoor van de oude gnostiek en gingen van de gedachte uit dat vlees en materie in zichzelf zondig zijn. Maar de Schrift handhaaft ook in de vleeswording de goedheid van de schepping en de goddelijke oorsprong van de materie.

Christus nam zijn menselijke natuur uit Maria aan. Mat. 1:20, Luk. 1:52, 2:7, Gal. 4:4 Hij is wat het vlees betreft uit David en uit de vaderen. Hand. 2:30, Rom. 1:3, 9:5 Daarom is het ook een echte en volkomen menselijke natuur, in alles aan ons gelijk, uitgezonderd de zonde. Heb. 2:14, 2:17, 4:15 Niets menselijks was Christus vreemd. De ontkenning van de komst van Christus in het vlees is het principe van de antichrist. 1 Joh. 2:22

Zoals de menselijke natuur van Christus niet vóór de ontvangenis in Maria bestond, zo heeft die ook niet een tijd lang vóór of ook na de geboorte gescheiden van de Christus bestaan. Het zaad dat in Maria ontvangen en het kindje dat uit haar geboren werd, is niet eerst zelfstandig tot een mens, tot een persoon, tot een ikheid opgegroeid en daarna door Christus aangenomen en met zichzelf verenigd.

Ook deze dwaling vond vroeger en later haar verdedigers, maar de Schrift weet niets van zo’n voorstelling. Het heilige dat in Maria’s schoot ontvangen werd, was en droeg vanaf het begin de naam Zoon van God. Luk. 1:35 De Zoon die de Vader zond, werd uit een vrouw. Gal. 4:4 Het Woord nam niet pas later een mens tot zich, maar het is vlees geworden. Joh. 1:14 En daarom zei de christelijke kerk in haar belijdenis dat de persoon van de Zoon niet een menselijk persoon, maar een menselijke natuur aannam. Zo alleen immers kan de tweeheid van de naturen in de eenheid van het persoon gehandhaafd worden.

Want – en dit is het derde punt dat hierbij onze overweging verdient – al zegt de Schrift zo duidelijk mogelijk dat Christus het Woord was en vlees werd, dat Hij wat het vlees betreft uit de vaderen is, maar wat zijn wezen betreft God is boven alles, te prijzen in eeuwigheid, toch laat ze in die Christus altijd één persoon voor ons optreden. Het is altijd hetzelfde Ik dat uit Christus spreekt en handelt. Het kind dat geboren werd, draagt de naam Sterke God en Eeuwige Vader. Jes. 9:5 Davids zoon is tegelijk Davids Heer. Mat. 23:43 Dezelfde die nedergedaald is, is ook opgevaren ver boven alle hemelen. Ef. 4:10 Hij die wat het vlees betreft uit de vaderen is, is wat betreft zijn wezen de God boven alles, te prijzen in eeuwigheid. Rom. 9:5 Rondwandelend op aarde was en bleef Hij toch in de hemel, in de schoot van de Vader. Joh. 1:18, 3:13 Geboren en levend in de tijd is Hij toch vóór Abraham. Joh. 8:58 De volheid van de Godheid woont in Hem op lichamelijke wijze. Kol. 2:9

Kortom, aan hetzelfde subject, aan dezelfde persoon worden goddelijke en menselijke eigenschappen en werken, eeuwigheid en tijd, alomtegenwoordigheid en beperktheid, scheppende almacht en schepselmatige zwakheid toegeschreven. Als dat zo is, kan de vereniging van de twee naturen in Christus niet geweest zijn als de vereniging tussen twee personen. Want twee personen kunnen wel door de liefde zeer innig met elkaar verbonden worden, maar ze kunnen toch nooit één persoon, één ik worden. De liefde veronderstelt juist de tweeheid en brengt niets anders dan een mystieke en ethische eenheid tot stand. Als de vereniging van de Zoon van God met de menselijke natuur dit karakter droeg, zou die hoogstens gradueel maar niet in wezen onderscheiden kunnen zijn van de verenging die God met zijn schepselen, vooral met zijn kinderen, verbindt. Maar Christus neemt een geheel unieke plaats in. Hij verbond zich niet op morele wijze met een mens en nam niet een bestaand mens op in gemeenschap met Hem. Nee, Hij maakte voor zichzelf een menselijke natuur gereed in Maria’s schoot en werd een mens en een slaaf. Zoals een mens uit de ene levensstaat in een andere kan overgaan, achtereenvolgens of soms ook wel tegelijkertijd in twee bewustzijnssferen kan leven, zo is, bij wijze van analogie, Christus, die in de gestalte van God was, op aarde gaan rondwandelen in de gestalte van een slaaf. De vereniging die in zijn vleeswording tot stand kwam, was niet een morele vereniging tussen twee personen, maar een vereniging van twee naturen in dezelfde persoon. Man en vrouw, hoe innig ook in het huwelijk verenigd, blijven twee personen. God en mens, hoewel door de innigste liefde verbonden, blijven onderscheiden in wezen. Maar in Christus is de mens hetzelfde subject als het Woord dat in het begin bij God en zelf God was en het Woord is hetzelfde subject dat vlees werd. Hier is een geheel unieke, onvergelijkbare en onbegrijpelijke vereniging van God en mens. En het begin en einde van alle wijsheid is: ‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.’ Joh. 1:14

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in