Nu spreekt het vanzelf dat deze belijdenis van Nicea en Chalcedon geen aanspraak mag maken op onfeilbaarheid. De termen waarvan de kerk en de theologie zich bedient, zoals persoon, naturen, een van wezen enzovoort worden niet in de Schrift gevonden, maar zijn een vrucht van het nadenken dat de christenheid langzamerhand aan dit mysterie van de godsvrucht moest wijden. Ze werd ertoe gedwongen door de dwalingen die van alle kanten zowel binnen als buiten de kerk het hoofd opstaken. Al die uitdrukkingen en omschrijvingen die in de belijdenis van de kerk en de taal van de theologie gebruikt worden, hebben dan ook niet als doel om het mysterie dat hier behandeld wordt te verklaren, maar om het zuiver en ongeschonden te handhaven tegenover allen die het verzwakken of ontkennen. De vleeswording van het Woord is geen probleem dat we moeten of kunnen oplossen. Nee, het is een wonderlijk feit dat we dankend belijden zoals God zelf het in zijn Woord voor onze ogen plaatst.

Maar zo opgevat is de belijdenis die de kerk in Nicea en Chalcedon vaststelde, van grote waarde. Er zijn er velen geweest en er zijn er nog velen die uit de hoogte op de leer van de twee naturen in Christus neerzien en die door andere woorden en termen proberen te vervangen. Wat doet het er toe, zo spreken ze eerst, of we met deze leer wel of niet niet onze instemming betuigen? Het komt er maar op aan, dat we de persoon van Christus zelf bezitten, die hoog achter en boven deze onbeholpen belijdenis staat. Maar straks voeren al deze mannen toch ook zelf weer woorden en termen in om de persoon van Christus die zij aannemen, duidelijker te beschrijven. Niemand kan daaraan ontkomen, want wat we niet kennen, dat hebben we niet. Als we geloven dat we Christus bezitten, dat wij gemeenschap met Hem hebben, dat we zijn eigendom zijn, dan moet dat geloof ook spreken en tot woorden, termen, uitdrukkingen, omschrijvingen de toevlucht nemen. Maar dan heeft de geschiedenis ook geleerd dat de uitdrukkingen waarvan de bestrijders van de twee-naturenleer zich bedienen in waarde en kracht ver bij die van de belijdenis achterblijven en vaak zelfs, met miskenning van het feit van de vleeswording zoals de Schrift ons dat laat kennen, de dwaling in de hand werken.
In de tegenwoordige tijd bijvoorbeeld zijn er zeer velen die de leer van de twee naturen het toppunt van absurditeit achten en zich in hun bewustzijn een heel andere voorstelling vormen van de persoon van Christus. Ze kunnen niet ontkennen dat er in Christus iets is dat Hem van alle mensen onderscheidt en boven allen verheft. Maar dit goddelijke dat ze in Christus erkennen, beschouwen ze niet als een deelhebben aan de goddelijke natuur zelf, maar als een goddelijke gave of kracht, die in bijzondere mate aan Christus geschonken werd. Ze zeggen dan dat er aan Christus twee zijden zijn, een goddelijke en een menselijke. Of dat Hij van twee gezichtspunten beschouwd kan worden. Of dat Hij in twee opeenvolgende toestanden, van vernedering en verhoging, heeft geleefd. Of dat Hij, hoewel Hij alleen mens was, toch door zijn prediking van Gods liefde en het stichten van zijn koninkrijk het buitengewone en volmaakte instrument van Gods openbaring is geweest en zo voor ons de waarde van God heeft verkregen. Maar iedere onpartijdige lezer voelt dat deze voorstellingen niet slechts een wijziging in de kerkelijke uitdrukkingen brengen, maar van de persoon van Christus iets heel anders maken dan de kerk altijd op grond van het apostolisch getuigenis over Hem beleden heeft.
Immers, goddelijke gaven en krachten worden in zekere zin aan ieder mens geschonken. Want alle goede gaven en volmaakte giften dalen neer van de Vader van de lichten. En ook de buitengewone gaven, zoals die bijvoorbeeld aan de profeten ten deel vielen, heffen deze mannen niet boven de mensen uit. Profeten en apostelen zijn mensen geweest net als wij. Als Christus dus niet meer heeft ontvangen dan buitengewone goddelijke gaven en krachten, dan was Hij niet meer dan een mens en kan er van een vleeswording van het Woord bij Hem geen sprake zijn. Maar dan kan Hij ook nooit, zoals anderen het voorstellen, na zijn dood door opstanding en hemelvaart tot God verhoogd zijn of voor ons de betekenis van God verkregen hebben. Want tussen mens en God is geen geleidelijke overgang, maar een diepe kloof. Ze staan tot elkaar in verhouding als schepsel en Schepper en het schepsel kan uiteraard nooit Schepper worden en evenmin ooit voor ons, mensen, de waarde en de betekenis hebben van de Schepper, van wie wij absoluut afhankelijk zijn.
Opmerkelijk is het dan ook dat sommigen, nadat ze al deze nieuwere voorstellingen over de persoon van Christus met de leer van de kerk en van de Schrift vergeleken hebben, tot de eerlijke conclusie gekomen zijn dat ten slotte de belijdenis van de kerk nog het best met de leer van de Schrift correspondeert. De leer dat Christus God en mens was in één persoon, is geen product van heidense filosofie, maar is gebaseerd op het apostolisch getuigenis.
Hieruit bestaat immers het mysterie van de godsvrucht: dat Hij die als het Woord in het begin bij God en zelf God was, Joh. 1:1 die in de gestalte van God was en het geen roof achtte aan God gelijk te zijn, Fil. 2:6 die de afstraling van Gods heerlijkheid was en het uitgedrukte beeld van zijn zelfstandigheid, Heb. 1:3 in de volheid van de tijd vlees geworden is, Joh. 1:14 uit een vrouw is geboren, Gal. 4:4 zichzelf leeg gemaakt heeft, de gestalte van een slaaf heeft aangenomen en aan de mensen gelijk geworden is. Fil. 2:7





















