Maar de christelijke kerk stond vanaf het begin op een andere basis en beleed in de persoon van Christus juist de innigste en diepste en daardoor een geheel unieke gemeenschap van God en mens. De tolken daarvan drukten zich in de eerste tijd soms zeer onbeholpen uit. Ze moesten worstelen om eerst in het bewustzijn een enigszins heldere voorstelling van de zaak te krijgen en daarna om deze voorstelling enigszins in duidelijke taal onder woorden te brengen. Maar ondanks dat alles liet de gemeente zich niet afrukken van haar basis. Ze vermeed het ene en het andere uiterste en hield aan de leer van de apostelen over de persoon van Christus vast.

Maar wanneer één en dezelfde persoon tegelijk deel had aan de goddelijke natuur en bovendien een echt mens was, dan kwam het erop aan om duidelijker zijn plaats aan te wijzen en scherp de verhouding te bepalen waarin Hij zowel tot de Godheid als tot de wereld stond. En hierbij deed zich opnieuw rechts en links een dwaalweg voor.
Als men namelijk de eenheid van God, die een fundamentele waarheid van het christendom is, zó opvatte dat het wezen van de Godheid volkomen met de persoon van de Vader samenviel, dan bleef er in de Godheid voor Christus geen plaats. Dan kwam Hij buiten de Godheid en dus aan de kant van het schepsel te staan. Want tussen Schepper en schepsel is geen geleidelijke overgang. En dan kon men met Arius nog wel zeggen dat Hij in tijd en rang aan heel de wereld voorafging, dat Hij als eerste van alle schepselen was geschapen en ze allemaal in stand en eer overtrof. Maar dan bleef Christus toch een schepsel. Er was een tijd dat Hij er niet was en in de tijd werd Hij dan, net als alle andere schepselen, door Gods wil tot bestaan geroepen.
Bij het streven echter om de eenheid van God te handhaven en toch aan de persoon van Christus de Hem toekomende plaats en eer te verzekeren, kon men ook heel gemakkelijk in een andere dwaling vervallen, in de dwaling namelijk die de naam ontleent aan haar voornaamste leraar, Sabellius. Terwijl Arius, om zo te zeggen, het wezen van de Godheid vereenzelvigde met de persoon van de Vader, offerde Sabellius alle drie personen aan dat wezen op. Volgens zijn leer zijn de drie personen, Vader, Zoon en Geest, geen eeuwige, in het wezen van de Godheid bestaande zelfstandigheden, maar vormen en verschijningen, waarin het ene goddelijke wezen zich achtereenvolgens in de loop van de tijden, onder het Oude Testament, in de aardse omwandeling van Christus en na de Pinksterdag, heeft geopenbaard. Beide dwalingen hebben alle eeuwen door hun aanhangers gevonden: de Groninger Theologie bijvoorbeeld vernieuwde in hoofdzaak de leer van Arius en de moderne theologie wandelde in de eerste tijd in het spoor van Sabellius.
Het kostte veel gebed en veel strijd om tussen al deze dwalingen door, die bovendien nog in allerlei vormen gewijzigd en vermengd werden, de rechte weg te vinden. Maar onder de leiding van grote mannen, die zowel door hun godsvrucht als door hun denkkracht uitblonken en daarom terecht de naam kerkvaders dragen, bleef de gemeente toch trouw aan de leer van de apostelen. Op de synode in Nicea in 325 sprak de kerk haar geloof uit in de ene God, de Vader, de Almachtige, Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen, en in de ene Heer Jezus Christus, de Zoon van God, die gegenereerd werd uit de Vader als de eniggeborene, dat is: uit het wezen van de Vader, God uit God, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God, gegenereerd en niet geschapen, een van wezen met de Vader, door wie alle dingen in de hemel en de aarde gemaakt zijn … en in de Heilige Geest.
Hoe belangrijk deze uitkomst ook was, er werd absoluut geen einde aan de leertwisten mee verkregen. Integendeel, de belijdenis van Nicea opende de gelegenheid voor het opkomen van nieuwe vragen en verschillende antwoorden. Want al was nu de verhouding van Christus tot het wezen van God en tot de wereld en de mensheid bepaald, in die zin dat Hij in zijn persoon aan beide deel had en God en mens in één persoon was, de vraag kon niet uitblijven hoe het verband tussen die twee naturen in één persoon gedacht moest worden. En ook bij dit punt werden ter beantwoording verschillende wegen ingeslagen.
Nestorius besloot dat er, wanneer er in Christus twee naturen waren, in Hem ook twee personen, twee ikken, moesten zijn, die alleen verenigd konden zijn door een morele band, zoals bijvoorbeeld in het huwelijk tussen man en vrouw. En Eutyches, die van dezelfde vereenzelviging van natuur en persoon uitging, kwam tot de conclusie dat, als er in Christus maar één persoon, één ik aanwezig was, dan de beide naturen zo vermengd en samengesmolten moesten zijn dat er slechts één godmenselijke natuur uit die vermenging tevoorschijn kwam. Daar werd het onderscheid tussen de naturen gehandhaafd ten koste van de eenheid van de persoon, hier de eenheid van de persoon ten koste van de tweeheid van de naturen.
Maar na lange, heftige strijd kwam de kerk ook deze twisten te boven. Op het concilie in Chalcedon in 451 sprak ze uit dat de ene persoon van Christus bestond uit twee naturen, die onveranderd en onvermengd (tegen Eutyches) en ongescheiden en ongedeeld (tegen Nestorius) naast elkaar bestonden, maar hun eenheid hadden in de ene persoon. Met deze beslissing, die later, op de synode in Constantinopel in 680, op een bepaald punt nog verder aangevuld en voltooid werd, kwam aan de eeuwenlange strijd over de persoon van Christus een einde. De kerk had in deze twisten het wezen van het christendom, het absolute karakter van de christelijke religie en daarmee ook haar eigen zelfstandigheid bewaard.




















