Als Christus volgens het getuigenis van de apostelen zo’n hoge positie inneemt, is het geen wonder dat Hem nu verder allerlei goddelijke deugden en werken worden toegeschreven, ja, dat Hem zelfs de goddelijke natuur wordt toegekend.

Het is een geheel unieke gestalte die ons op de bladzijden van de Heilige Schrift tegemoetkomt in de persoon van Christus. Aan de ene kant is Hij echt mens, vlees geworden en in het vlees gekomen, Joh. 1:14, 1 Joh. 4:2-3 in de gedaante van het zondige vlees, Rom. 8:3 wat het vlees betreft uit de vaderen, Rom. 9:5 Abrahams zaad, Gal. 3:16 uit de stam van Juda, Heb. 7:14 uit het geslacht van David, Rom. 1:3 geboren uit een vrouw Gal. 4:4 delend in ons vlees en bloed, Heb. 2:14 met een geest, Mat. 27:50 een ziel Mat. 26:38 en een lichaam, 1 Pet. 2:24 mens in volle, ware zin, die opgroeide als een klein kind en toenam in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen, Luk. 2:40, 2:52 die honger en dorst had, bedroefd en verheugd was, zich ontroerde en toornde, Mat. 4:2, 26:28, Joh. 11:27, 11:35, 19:28 enz. die zich onder de wet stelde en gehoorzaam was tot de dood toe, Gal. 4:4, Fil. 2:8, Heb. 5:8, 10:7, 10:9 die geleden heeft, gestorven is aan het kruis, begraven is in de hof, zonder gedaante of heerlijkheid. Als we Hem aanzagen, was er geen gedaante, dat we Hem begeerd zouden hebben. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een man van smarten en bekend met ziekte. Jes. 53:2-3
En toch wordt deze zelfde mens van alle mensen onderscheiden en hoog boven hen allen geplaatst. Niet alleen is Hij volgens zijn menselijke natuur ontvangen van de Heilige Geest, gedurende heel zijn leven, ondanks alle verzoekingen, vrij gebleven van elke zonde en na zijn sterven weer uit de doden opgewekt en in de hemel opgenomen. Maar hetzelfde subject, dezelfde persoon, dezelfde Ik die zich zó diep vernederde dat Hij de gestalte van een slaaf aannam en gehoorzaam werd tot de kruisdood toe, bestond in een andere bestaanswijze al lang vóór de tijd van zijn menswording en vernedering. Hij bestond toen in de gestalte van God en achtte het geen roof aan God gelijk te zijn. Fil. 2:6 Bij zijn opstanding en hemelvaart ontving Hij slechts de heerlijkheid terug die Hij bij de Vader had voor de wereld er was. Joh. 17:5 Hij is eeuwig als God zelf, want Hij was al in het begin bij Hem Joh. 1:1, 1 Joh. 1:1 en net als Hij de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde. Op. 22:13 Hij is alomtegenwoordig, zodat Hij, terwijl Hij rondwandelde op aarde, toch tegelijk in de schoot van de Vader, in de hemel was Joh. 1:18, 3:13 en na zijn verheerlijking bij zijn gemeente blijft en alles in allen vervult. Mat. 28:20, Ef. 1:23, 4:10 Hij is onveranderlijk en trouw, zodat Hij gisteren en vandaag dezelfde en in eeuwigheid is. Heb. 13:8 Hij is alwetend, zodat Hij de gebeden hoort Hand. 1:24, 7:59-60, 6:13, Rom. 10:12-13 enz. en misschien (tenzij hier de Vader bedoeld is) Hand. 1:24 de kenner van de harten wordt genoemd. Hij is almachtig, zodat aan Hem alle dingen onderworpen zijn, Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven is en Hij de Overste is van alle koningen. Mat. 28:18, 1 Kor. 15:27, Ef. 1:22, Op. 1:4, 19:16
Omdat Hij al deze goddelijke volmaaktheden bezit, neemt Hij ook deel aan alle goddelijke werken. Met de Vader en de Geest is Hij de Schepper van alle dingen Joh. 1:3, Kol. 1:5 en de eerstgeborene, het begin en het hoofd, van alle schepselen. Kol. 1:15, Op. 3:14 Hij onderhoudt alle dingen door het woord van zijn kracht, zodat ze niet alleen uit Hem bestaan, maar ook in Hem en door Hem blijven bestaan. Heb. 1:3, Kol. 1:17 En bovenal, Hij behoudt, verzoent en herstelt alle dingen en brengt ze bijeen onder zichzelf als het hoofd. Als zodanig draagt Hij vooral de naam Zaligmaker van de wereld. In het Oude Testament werd de naam Zaligmaker, Heiland of Verlosser aan God gegeven. Jes. 43:3, 43:11, 45:15, Jer. 14:8, Hos. 13:4 Maar in het Nieuwe Testament draagt zowel de Zoon als de Vader deze naam. In 1 Timotheüs 1:1 en 2:3 en Titus 1:3 en 2:10 wordt God en in 2 Timotheüs 1:10, Titus 1:4, 2:13 en 3:6 en 2 Petrus 1:11, 2:20 en 3:18 wordt Christus zo genoemd. Soms is het zelfs onzeker of de naam op God, dan wel op Christus slaat. Tit. 2:13, 2 Pet. 1:1 Het is immers Christus in wie en door wie Gods zaligmakend werk volledig tot stand wordt gebracht.
Dit alles nu wijst op een eenheid tussen Vader en Zoon, tussen God en Christus, zoals die nergens anders tussen de Schepper en zijn schepsel bestaat. Al heeft Christus ook een menselijke natuur aangenomen, die eindig en beperkt is en in de tijd begon te bestaan, als persoon, als ikheid staat Christus in de Schrift niet aan de kant van het schepsel, maar aan de kant van God. Hij deelt in zijn deugden, Hij neemt deel aan al zijn werken, Hij bezit dezelfde goddelijke natuur. Dit laatste komt vooral duidelijk uit in drie namen die aan Christus gegeven worden, in die van het Beeld, het Woord en de Zoon van God.
Christus is het Beeld van God, de afstraling van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van zijn zelfstandigheid. 2 Kor. 4:4, Kol. 1:15, Heb. 1:3 In Christus is de onzichtbare God zichtbaar geworden. Wie Hem ziet, ziet de Vader. Joh. 14:9 Wie weten wil wie en wat God is, moet naar Christus kijken. Zoals Christus is, zo is de Vader. Verder is Christus het Woord van God. Joh. 1:1, Op. 19:13 In Hem heeft de Vader zich volkomen uitgesproken, zijn wijsheid, zijn wil, al zijn deugden, heel zijn wezen. Hij heeft Hem gegeven dat Hij het leven heeft in zichzelf. Joh. 5:26 Wie Gods gedachte, Gods raad en wil over mensheid en wereld wil leren kennen, moet naar Christus luisteren en Hem horen. Mat. 17:5 Ten slotte is Christus de Zoon van God, de Zoon, zoals vooral Johannes Hem dikwijls zonder enige nadere omschrijving noemt, 1 Joh. 2:22 e.v., Heb. 1:1, 1:8 enz. de eniggeboren en enige, de eigen en geliefde Zoon, in wie de Vader al zijn welbehagen heeft. Mat. 3:17, 17:5, Joh. 1:14, Rom. 8:32, Ef. 1:6, Kol. 1:13 Wie een kind van God wil worden, moet Christus aannemen, want allen die Hem aannemen, ontvangen het recht en de macht om kinderen van God genoemd te worden. Joh. 1:12
Op dit getuigenis over Christus zet de Schrift ten slotte de kroon door Hem ook de goddelijke Naam toe te kennen. Thomas beleed Hem al vóór de hemelvaart als zijn Heer en zijn God. Joh. 20:28 Johannes getuigt van Hem dat Hij in het begin als het Woord bij God en zelf God was. Joh. 1:1 Paulus verklaart dat Hij wel wat het vlees betreft uit de vaderen is, maar dat Hij wat betreft zijn wezen God is boven alles, te prijzen in eeuwigheid. Rom. 9:5 De brief aan de Hebreeën zegt dat Hij ver verheven is boven de engelen en door God zelf met de naam God wordt aangesproken. Heb. 1:8-9 Petrus spreekt over Hem als onze God en Zaligmaker Jezus Christus. 2 Pet. 1:1 In het doopbevel van Jezus Mat. 28:19 en in de zegenbeden van de apostelen 2 Kor. 13:13, 1 Pet. 1:2, Op. 1:4-6 staat Christus, de Zoon, met de Vader en de Geest op dezelfde lijn. De naam en het wezen, de deugden en de werken van de Godheid komen evenzeer toe aan de Zoon (en de Geest) als aan de Vader.
Jezus de Christus, de Zoon van de levende God – op deze petra is de gemeente gebouwd. Vanaf het begin stond de geheel unieke betekenis van Christus voor alle gelovigen vast. Door allen werd Hij beleden als de Heer, die door zijn leer en leven de zaligheid, de vergeving van de zonden en de onsterfelijkheid, had verworven, daarna door de Vader aan zijn rechterhand was verhoogd en spoedig als Rechter zou terugkomen, om de levenden en de doden te oordelen. Met dezelfde namen, Christus, Heer, Zoon van God, God enzovoort, die in de brieven van de apostelen voorkomen, wordt Hij ook in de oudste christelijke geschriften genoemd en in de gebeden en liederen aangeroepen. Allen stonden in de overtuiging dat er één God was, van wie zij zich kinderen wisten, één Heer, die hun Gods liefde verzekerd en geschonken had, en één Geest, die hen allen liet wandelen in een nieuw leven. Het doopbevel, dat tegen het einde van de apostolische tijd algemeen in gebruik kwam, is daarvoor het bewijs. Mat. 28:19
Maar zodra men over de inhoud van deze belijdenis ging nadenken, deed zich allerlei verschil van mening voor. De leden van de gemeente, die eerder in het jodendom en heidendom opgevoed waren en voor het grootste deel tot de eenvoudigen van het land behoorden, waren niet in staat om het apostolisch onderwijs meteen in hun bewustzijn op te nemen. Ze leefden in het midden van een maatschappij waarin allerlei denkbeelden en richtingen dooreenkruisten en stonden dus voortdurend ten prooi aan veel verleiding en dwaling. Al tijdens het leven van de apostelen vernemen we van verschillende dwaalleraars, die in de gemeente binnendrongen en haar probeerden af te rukken van de vastheid van haar geloof. In Kolosse bijvoorbeeld waren er leden die tekort deden aan de persoon en het werk van Christus en het evangelie veranderden in een nieuwe wet. Kol. 2:3 e.v., 2:16 e.v. In Korinthe stonden libertijnen op, die de christelijke vrijheid misbruikten en zich aan geen regel wilden binden. 1 Kor. 6:12 e.v., 8:1 e.v. De apostel Johannes voert in zijn eerste brief strijd tegen zogenaamde doceten, die de komst van Christus in het vlees ontkenden en zo de echtheid van zijn menselijke natuur miskenden. 1 Joh. 2:18 e.v., 4:1 e.v., 5:5 e.v. enz.
En zo bleef het in de na-apostolische tijd. Zelfs namen vanaf de tweede eeuw de dwalingen toe in verscheidenheid, kracht en verbreiding. Er waren er die wel geloofden in de echte menselijke natuur van Christus, in zijn bovennatuurlijke geboorte, in zijn opstanding en hemelvaart, maar die het goddelijke nergens anders in zagen dan in een buitengewone mate van gaven en krachten van de Geest, waar God Hem bij zijn geboorte of doop in had laten delen en die Hem tot zijn godsdienstig-morele arbeid bekwaam maakten. De volgelingen van deze richting leefden onder de invloed van het deïstische, Joodse idee over de verhouding tussen God en wereld. Ze konden zich geen inniger gemeenschap tussen God en mens indenken dan die bestond uit een mededeling van gaven. Jezus was dus wel een rijk begaafd mens, een religieus genie, maar Hij was en bleef toch een mens.
Maar anderen, die vroeger in het heidendom waren opgevoed en zich meer aangetrokken voelden tot de polytheïstische gedachte, meenden het heel goed te kunnen begrijpen dat Christus volgens zijn innerlijke natuur een van de vele, of misschien wel het hoogste van alle goddelijke wezens was. Maar ze konden niet geloven dat zo’n goddelijk, rein wezen een menselijke, een stoffelijke, een vleselijke natuur zou hebben aangenomen. En daarom gaven ze de echte mensheid van Christus prijs en zeiden dat Hij slechts tijdelijk in een schijngestalte op aarde had rondgewandeld, zoals ook de engelen in het Oude Testament dat vaak hadden gedaan. Beide richtingen leven tot op de dag van vandaag voort. Terwijl de Godheid nu eens wordt opgeofferd aan de mensheid, wordt die dan weer ten koste van de laatste gehandhaafd. Er zijn altijd uitersten, die het idee om het feit of het feit om het idee prijsgeven. Ze zien de eenheid en harmonie van beide niet in.




















