Dit eigenaardige standpunt dat de apostelen na de opstanding in hun prediking innamen, geeft de reden aan waarom ze Jezus bijna nooit meer eenvoudig met zijn historische naam aanduiden, maar haast altijd over Hem spreken als Jezus Christus, Christus Jezus, onze Heer Jezus Christus enzovoort. Zelfs heeft de naam Christus al spoedig in de kring van de leerlingen zijn betekenis als soortnaam verloren en die van een eigennaam aangenomen. De overtuiging dat Jezus de Christus was, was zo sterk dat Hij eenvoudig Christus kon heten, zelfs zonder lidwoord ervoor. Al in de evangeliën komt dit enkele malen voor, Mat. 1:1, 1:16-18, 27:17, 27:22, Mar. 1:1, 9:41, Luk. 2:11, 23:2, Joh. 1:17 maar bij de apostelen, vooral bij Paulus, wordt dit regel. Bovendien werden de beide namen, Jezus Christus, in de Handelingen Hand. 3:20, 5:41 enz. en dan opnieuw vooral bij Paulus, meermalen omgedraaid om de messiaanse waardigheid van Christus nog meer in het oog te laten springen. Dan luidde de naam dus Christus Jezus. Deze benaming, Jezus Christus of Christus Jezus, was voor de eerste gemeenten de naam bij uitstek. Het gebruik en de betekenis van de Naam in het Oude Testament wordt in het Nieuwe Testament op Christus overgebracht. De Naam van de Heer, of alleen de Naam, was in de boeken van het Oude Verbond de aanduiding van Gods geopenbaarde heerlijkheid. In de dagen van het Nieuwe Verbond is die heerlijkheid van God verschenen in de persoon van Jezus Christus. En zo staat nu in zijn naam de kracht van de gemeente. In die naam wordt gedoopt, Hand. 2:38 gesproken en onderwezen, Hand. 4:18 wordt de kreupele genezen Hand. 3:6 en de zonde vergeven. Hand. 10:43 Die naam wordt weerstaan en bestreden, Hand. 26:9 maar ook wordt er voor die naam geleden Hand. 5:41 en wordt hij aangeroepen Hand. 22:13 en groot gemaakt. Hand. 19:17 De naam van Jezus Christus werd in deze zin de korte inhoud van de belijdenis van de gemeente, de kracht van haar geloof en het anker van haar hoop. Zoals Israël in het verleden roemde in de naam van Jehova, zo vindt de gemeente van het Nieuwe Testament haar sterkte in de naam van Jezus Christus. In deze naam is de naam van Jehova tot volle openbaring gekomen.

De naam Heer, die in het Nieuwe Testament telkens met die van Jezus Christus verbonden wordt, wijst in dezelfde richting. In de evangeliën wordt Jezus meermalen met de naam Heer aangesproken door mensen die niet tot zijn leerlingen behoren, maar toch zijn hulp inroepen. Mat. 8:2, 8:6, 8:21, 15:22, 16:22, 17:4, 17:15 enz. En dan heeft deze naam in de regel niet meer betekenis dan die van rabbi of meester. Maar we vinden deze naam ook vaak op de lippen van zijn leerlingen. Mat. 14:28, 14:30, 26:22, Joh. 16:68, 11:3, 21:15-17, 21:21 Verder wordt in het evangelieverhaal de naam Jezus bij Lukas en Johannes soms met die van de Heer afgewisseld. Luk. 1:43, 2:11, 2:38, 7:13, 7:31, 10:1, 11:39, 17:6 enz., Joh. 4:1, 6:23, 11:2, 20:2, 20:13, 20:18, 20:25, 20:28 enz. En tenslotte bedient ook Jezus zelf zich van die naam en duidt Hij zichzelf aan als de Heer. Mat. 7:21, 12:8, 21:3, 22:43-45, Mar. 5:19, Joh. 13:14 enz.
In de mond van Jezus zelf en van de leerlingen krijgt nu deze naam Heer een veel diepere betekenis dan die in de titel rabbi of meester ligt opgesloten. Het is niet met zekerheid te zeggen wat ieder die om hulp bij Jezus kwam en Hem met de naam Heer aansprak, bij die naam gedacht en ermee bedoeld heeft. Maar Jezus was in zijn eigen bewustzijn de leraar, de meester, de heer bij uitstek en schreef zich een gezag toe dat ver uitging boven dat van de schriftgeleerden. Dit komt al duidelijk uit in plaatsen waar Jezus zich als de enige Meester boven alle anderen verheft. bv. Mat. 23:1-11, Mar. 1:22, 1:27 Maar het wordt nog veel sterker uitgesproken en buiten alle twijfel gesteld als Hij zich een Heer van de sabbat Mat. 12:8 en elders zich Davids Zoon en Davids Heer noemt. Mat. 22:43-45 Dat houdt hier niet minder in dan dat Hij de Messias is, die aan Gods rechterhand zit, in zijn macht deelt en de beslissing heeft over levenden en doden. Mat. 21:4-5, 13:35, 24:42 e.v., 25:34 e.v.
Deze diepe betekenis heeft zich waarschijnlijk voor een deel ook aan de naam Heer gehecht doordat de namen Jehova en Adonai in het Oude Testament in de Griekse vertaling zijn weergegeven door kurios, Heer, dat is: door hetzelfde woord dat ook op Christus werd toegepast. Naarmate Christus zichzelf duidelijker uitsprak wie Hij was en naarmate de leerlingen beter begrepen welke openbaring van God in Christus naar hen toe gekomen was, naar die mate werd de naam Heer ook rijker van betekenis. Teksten in het Oude Testament waarin van God sprake was, werden zonder bezwaar op Christus toegepast. Zo wordt in Markus de tekst uit Jesaja aangehaald: ‘Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht,’ Mar. 1:3 en in de wegbereiding van Christus, de Heer, door Johannes de Doper de vervulling van dat profetische woord gezien. In Christus is immers God zelf, de Heer, naar zijn volk gekomen. En door Jezus als de Heer te belijden, hebben de leerlingen steeds helder uitgesproken dat God zelf zich in de persoon van Christus aan hen geopenbaard en geschonken had. Tot het hoogtepunt van die belijdenis, tijdens Jezus’ verblijf op aarde, stijgt Thomas op, als hij de opgestane Christus te voet valt en aanspreekt met de naam: ‘Mijn Heer en mijn God.’ Joh. 20:28
Na de opstanding wordt de naam Heer in de kring van Jezus’ leerlingen de gewone naam. We treffen hem telkens in de Handelingen en in de brieven, vooral van Paulus, aan. Soms wordt de naam Heer alleen gebruikt, maar meestal komt hij voor in verbinding met andere: de Heer Jezus, of de Heer Jezus Christus, of onze Heer Jezus Christus, of onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus enzovoort. En met die naam Heer drukken de gelovigen dan uit dat Jezus Christus, die vernederd is geweest tot de kruisdood toe, vanwege zijn volmaakte gehoorzaamheid door God is verhoogd tot een Heer en Vorst, Hand. 2:36, 5:31 die gezeten is aan Gods rechterhand, Hand. 2:34 Heer van allen en alles is, Hand. 10:36 in de eerste plaats van de gemeente, die Hij kocht met zijn bloed, Hand. 20:28 maar dan verder van heel de schepping, die Hij eenmaal als de Rechter van levenden en doden zal oordelen. Hand. 10:42, 17:31
Wie daarom deze naam, de naam van Jezus als Christus en Heer, zal aanroepen, zal zalig worden. Hand. 2:21, 1 Kor. 1:2 Christen zijn, dat is met de mond de Heer Jezus belijden en met het hart geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Rom. 10:9, 1 Kor. 12:3, Fil. 2:11 De inhoud van de prediking is: Christus Jezus de Heer. 2 Kor. 4:5 Zozeer trekt het wezen van het christendom zich in deze belijdenis samen dat de naam Heer bij Paulus als het ware een eigennaam wordt, die aan Christus geschonken wordt in onderscheiding van de Vader en de Geest. We hebben als christenen één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en wij tot Hem, en één Heer, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn en wij door Hem, en één en dezelfde Geest, die aan ieder in het bijzonder uitdeelt zoals Hij wil. 1 Kor. 8:6, 12:11 Zoals de naam God bij Paulus de huishoudelijke (economische) naam voor de Vader wordt, zo wordt de naam Heer de economische naam voor Christus.
De apostolische zegen bidt daarom de gemeente de genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap met de Heilige Geest toe. 2 Kor. 13:13 De ene naam God legt in de drie personen van Vader, Zoon en Geest zichzelf uiteen. Mat. 28:29




















