16.2 – De mens Jezus en de verhoogde Christus

0
28

Uit deze weinige gegevens blijkt afdoende dat de apostelen de feiten van het christendom niet ontkend of verwaarloosd hebben, maar die juist volledig hebben erkend en in hun geestelijke betekenis doorzien. Van een scheiding of tegenstelling tussen het heilsfeit en het heilswoord, zoals vroeger en later door velen is bepleit, is bij de apostelen geen spoor te vinden. Het heilsfeit is de verwezenlijking van het heilswoord. Dit laatste krijgt in het eerste zijn concrete en reële gedaante en is er daarom tegelijk de toelichting en verklaring van.

Als hierover nog enige twijfel mocht blijven bestaan, dan wordt die volkomen weggenomen door de strijd die de apostelen al in hun dagen te voeren hadden. Niet pas in de tweede en derde en volgende eeuwen, maar al in het apostolisch tijdperk traden er mannen op die de feiten van het christendom van ondergeschikte en voorbijgaande betekenis achtten, of ook geheel ontkenden, en aan de idee genoeg meenden te hebben. Wat doet het er toe, zo redeneerden zij, of Christus lichamelijk is opgestaan? Als Hij wat betreft de geest maar voortleeft, dan is onze zaligheid daardoor voldoende verzekerd! Maar de apostel Paulus dacht daar heel anders over en stelde de werkelijkheid en de betekenis van de lichamelijke opstanding in het helderste licht. 1 Kor. 15 Hij verkondigt de Christus volgens de Schriften, de Christus die volgens de raad van de Vader gestorven, begraven en opgewekt is, die na zijn opstanding door vele leerlingen is gezien en wiens opstanding de basis en waarborg van onze zaligheid is. En zo mogelijk nog sterker legt Johannes er nadruk op dat hij een verkondiger is van wat hij van het Woord van het leven met zijn ogen gezien en met zijn handen getast heeft. 1 Joh. 1:1-3 Het principe van de antichrist ligt erin dat hij de vleeswording van het Woord ontkent. En de christelijke belijdenis bestaat daartegenover juist uit het geloof dat het Woord vlees is geworden, dat de Zoon van God gekomen is door water en bloed. Joh. 1:14, 1 Joh. 3:2-3, 5:6 Heel de apostolische prediking in evangeliën en brieven, dus in heel het Nieuwe Testament, komt neer op het betoog dat Jezus, die uit Maria geboren en aan het kruis gestorven is, door zijn verhoging de Christus, de Zoon van God blijkt te zijn. Joh. 20:31, 1 Joh. 2:22, 4:15, 5:5

Nu verdient het onze opmerkzaamheid dat, in verband met de inhoud en het doel van de apostolische prediking, het gebruik van de enkele naam Jezus, zonder nadere omschrijving, in de brieven zeer zeldzaam wordt. In de regel spreken de apostelen over Jezus Christus, of over Christus Jezus, of nog vollediger over de of onze Heer Jezus Christus. Zelfs de evangelisten, die in het verhaal doorgaans over Jezus spreken, bedienen zich in het begin of bij een belangrijk keerpunt in hun evangelie Mat. 1:1, 1:18, 16:21, Mar. 1:1, Joh. 1:17, 17:3 van de volle naam Jezus Christus, om aan te geven wie de persoon is over wie hun evangelie gaat. In de Handelingen en in de brieven wordt dit gebruik dan regel. De apostelen spreken niet over een mens met de naam Jezus, zonder meer, maar spreken in de toevoeging Christus, Heer enzovoort ook de waardering uit van wat deze mens voor hen is. Ze zijn verkondigers van het evangelie, dat in de mens Jezus, de Christus van God, op aarde verschenen is.

Zó hadden zij Jezus langzamerhand tijdens hun omgang met Hem leren kennen en vooral na het gewichtige uur bij Caesarea Filippi was hun over zijn persoon een licht opgegaan en hadden ze allen door de mond van Petrus beleden dat Hij de Christus was, de Zoon van de levende God. Mat. 16:16 Zó had Jezus zichzelf aan hen geopenbaard, eerst min of meer bedekt onder de naam Mensenzoon, maar dan tegen het einde van zijn leven steeds helderder en duidelijker. Mat. 16:21 In het hogepriesterlijk gebed duidt Hij zichzelf aan met de naam Jezus Christus, die de Vader gezonden heeft. Joh. 17:3 Juist omdat Hij zich uitgaf voor de Christus, de Zoon van God, werd Hij door de Joodse raad van godslastering beschuldigd en veroordeeld tot de dood. Mat. 26:63 En het opschrift boven zijn kruis luidde: ‘Jezus, de Nazarener, de Koning van de Joden.’ Mat. 27:37, Joh. 19:19

Weliswaar konden de leerlingen deze messiaanse aanspraken van Jezus niet rijmen met zijn aanstaand lijden en sterven. Mat. 16:22 Maar door en na de opstanding leerden ze ook de noodzaak en de betekenis van het kruis verstaan. Nu zagen ze in dat God deze Jezus, die de Joden hadden omgebracht, door de opstanding een Heer en Christus gemaakt had en Hem verhoogd had tot een Vorst en Zaligmaker. Hand. 2:36, 5:31 Dit wil niet zeggen dat Jezus voor zijn opstanding nog geen Christus en Heer was en dit pas door en na zijn opstanding geworden is. Want al eerder verkondigde Jezus zichzelf als de Christus en werd Hij als zodanig door zijn leerlingen erkend en beleden. Mat. 16:16 Maar vóór de opstanding was Hij Messias in de gestalte van een slaaf, in een vorm en gedaante die zijn waardigheid als Zoon van God voor de ogen van de mensen verborg. In en na de opstanding heeft Hij die gestalte van een slaaf afgelegd, heeft Hij de heerlijkheid weer teruggenomen die Hij bij de Vader had voor de wereld er was Joh. 17:5 en is Hij dus aangesteld als Zoon van God in kracht, overeenkomstig de Geest van de heiligheid, die in Hem woonde. Rom. 1:3

Vandaar dat Paulus kan zeggen dat hij nu, nadat het God behaagd heeft zijn Zoon in hem te openbaren, Christus niet meer kent volgens het vlees. 2 Kor. 5:16 Vóór zijn bekering kende hij Christus alleen volgens het vlees, beoordeelde hij Hem alleen volgens zijn uiterlijke verschijning, volgens de gestalte van een slaaf, waarin Hij op aarde rondwandelde. Toen kon hij niet geloven dat die Jezus, die van alle heerlijkheid ontdaan was en zelfs aan het kruis werd gehangen en gedood, de Christus was. Maar door zijn bekering is dat alles veranderd. Nu kent en beoordeelt hij Christus niet volgens de schijn, niet volgens de uiterlijke, tijdelijke gestalte van een slaaf, maar volgens de geest, volgens wat binnen in die Christus was, volgens wat Hij werkelijk innerlijk was en in zijn opstanding ook naar buiten toe toonde te zijn.

En dit geldt in zekere zin voor alle apostelen. Wel werden ze al vóór het lijden en het sterven van Christus gebracht tot een gelovige belijdenis van zijn messiaanse waardigheid. Maar voor hun besef bleef er een onverenigbaarheid bestaan van deze waardigheid met het lijden en sterven. De opstanding heeft echter deze voor hun gevoel bestaande tegenstelling verzoend. Het is dezelfde Christus die neergedaald is in de onderste delen van de aarde en die opgenomen is boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen zou vervullen. Ef. 4:9 Als ze over Christus spreken, denken de apostelen tegelijk aan de gestorven en de opgewekte, aan de gekruisigde en de verheerlijkte Christus. Ze stellen hun evangelie in verbinding, niet alleen met de historische Jezus, die enige jaren geleden in Palestina geleefd heeft en gestorven is, maar ook met diezelfde Jezus zoals Hij verhoogd is en nu gezeten is aan de rechterhand van Gods kracht. Ze staan als het ware in het snijpunt van de horizontale lijn, die aan het voorbije, aan de historie, vastknoopt, en van de verticale lijn, die hen verbindt met de levende Heer in de hemelen. Het christendom is daarom een historische religie, maar tegelijk ook een godsdienst die in het tegenwoordige leeft uit de eeuwigheid. De leerlingen van Jezus zijn niet naar zijn historische naam jezuïeten, maar naar zijn ambtsnaam christenen genoemd. Hand. 11:26

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in