Het getuigenis dat Christus volgens de evangeliën van zichzelf heeft gegeven, wordt ontwikkeld en bevestigd door de prediking van de apostelen. De belijdenis dat een mens, Jezus genaamd, de Christus is, de eniggeborene van de Vader, is zo lijnrecht in strijd met al onze ervaring en heel ons denken en vooral ook met de neigingen van ons hart, dat niemand deze belijdenis oprecht en met heel zijn ziel kan aanvaarden zonder het overtuigende werk van de Heilige Geest. Van nature staat ieder vijandig tegenover deze belijdenis, omdat die niet in overeenstemming is met de mens. Niemand kan zeggen dat Jezus de Heer is dan door de Heilige Geest. Maar ook kan niemand die door de Heilige Geest spreekt Jezus een vervloekte noemen. Nee, hij erkent Hem als zijn Heiland en Koning. 1 Kor. 12:3

Toen Christus op aarde verscheen en van zichzelf beleed dat Hij Gods Zoon is, heeft Hij het dan ook niet bij deze belijdenis gelaten, maar heeft Hij er ook voor gezorgd en Hij zorgt er nog altijd voor dat deze belijdenis in de wereld ingang vindt en door de gemeente geloofd wordt. Hij heeft zijn apostelen geroepen en onderwezen en getuigen gemaakt van zijn woorden en daden, van zijn dood en opstanding. Hij heeft hun de Heilige Geest gegeven, die hen persoonlijk tot de belijdenis bracht dat Jezus de Christus was, de Zoon van de levende God, Mat. 16:16 en die hen later, vanaf de Pinksterdag, liet optreden als verkondigers van wat ze met hun ogen gezien en met hun handen getast hadden van het Woord van het leven. 1 Joh. 1:1 De apostelen waren niet de eigenlijke getuigen. De Geest van de waarheid, die van de Vader uitgaat, is de oorspronkelijke, onfeilbare en almachtige getuige van Christus en de apostelen zijn het slechts in Hem en door Hem. Joh. 15:26-27, Hand. 5:32 En diezelfde Geest van de waarheid is het die door middel van het getuigenis van de apostelen de gemeente van alle eeuwen tot de belijdenis brengt en bij de belijdenis bewaart: ‘Heer, naar wie zullen zij heengaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven en we hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God.’ Joh. 6:68-69
Wanneer de vier evangelisten in een geregelde orde de gebeurtenissen uit het leven van Jezus verhalen, duiden ze Hem doorgaans alleen aan met de naam Jezus, zonder enige nadere omschrijving of toevoeging. Ze zeggen dan dat Jezus in Bethlehem geboren werd, dat Jezus in de woestijn geleid werd, dat Jezus de menigten zag en op de berg klom enzovoort. Jezus, de historische persoon, die in Palestina geleefd heeft en gestorven is, is het onderwerp van hun verhaal. En zo vinden we ook een enkele keer nog in de brieven van de apostelen dat Jezus alleen met zijn historische naam wordt aangeduid. Paulus zegt bijvoorbeeld dat niemand kan zeggen dat Jezus de Heer is dan door de Heilige Geest. 1 Kor. 12:3 Johannes getuigt dat ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, uit God geboren is. 1 Joh. 5:1, vg. 2:22, 4:25 En in het boek van de Openbaring wordt gesproken over het geloof van Jezus, de getuigen en het getuigenis van Jezus, zonder dat de naam nader bepaald wordt. Op. 14:12, 17:6, 19:20, 20:4
Toch is het gebruik van deze eenvoudige naam, zonder meer, in de brieven van de apostelen zeldzaam. Gewoonlijk komt de naam Jezus alleen voor in de verbinding met ‘de Heer’, ‘Christus’, ‘de Zoon van God’ enzovoort en de volle naam luidt gewoonlijk: ‘onze Heer Jezus Christus’. Maar of de naam Jezus nu alleen of in verbinding met andere namen gebruikt wordt, altijd komt daarin de band tot uitdrukking aan de historische persoon, die in Bethlehem geboren en aan het kruis gedood werd. Heel het Nieuwe Testament, zowel in de brieven als in de evangeliën, rust op de basis van historische feiten. De Christusfiguur is geen idee en geen ideaal van het menselijk brein, zoals velen in vroegere eeuwen en ook sommigen nu nog ervan willen maken. Nee, het is een reële gestalte, die ons in een bepaalde tijd en in een bepaald persoon, in de mens Jezus tegemoet is gekomen. Weliswaar komen de verschillende gebeurtenissen uit het leven van Jezus in de brieven op de achtergrond. De brieven hebben natuurlijk een andere bedoeling dan de evangeliën. Ze geven geen geschiedenis van het leven van Jezus, maar brengen de betekenis aan het licht die heel dat leven heeft voor de verlossing van de mensheid. Maar alle apostelen zijn met de persoon en het leven van Jezus, met zijn woorden en daden bekend en laten ons nu zien dat deze Jezus de Christus is, die door God aan zijn rechterhand is verhoogd, om bekering en vergeving van de zonden te geven. Hand. 2:36, 5:31
Telkens worden dan ook gebeurtenissen uit het leven van Jezus door de apostelen in hun prediking genoemd. Ze schilderen Hem voor de ogen van hun hoorders en lezers. Gal. 3:1 Ze maken er melding van dat Johannes de Doper zijn voorloper en wegbereider was, Hand. 13:25, 19:4 dat Hij uit het geslacht van Juda en de stam van David is, Rom. 1:3, Op. 5:5, 22:16 dat Hij geboren is uit een vrouw, Gal. 4:4 op de achtste dag besneden werd, Rom. 15:8 in Nazareth opgevoed werd Hand. 2:22, 3:6 en ook broers had. 1 Kor. 9:5, Gal. 1:19 Verder was Hij volkomen heilig en zondeloos, 2 Kor. 5:21, Heb. 7:26, 1 Pet. 1:11, 2:22, 1 Joh. 3:5 stelde Hij zichzelf als voorbeeld voor ons 1 Kor. 11:1, 1 Pet. 2:21 en sprak Hij woorden die voor ons gezag hebben. Hand. 20:35, 1 Kor. 7:10, 7:12 Maar vooral heeft zijn sterven voor ons betekenis. Het kruis staat in het middelpunt van de apostolische prediking. Door een van de twaalf apostelen die Hij aanstelde 1 Kor. 15:5 verraden 1 Kor. 11:23 en door de oversten van de wereld niet als Heer van de heerlijkheid gekend, 1 Kor. 2:8 werd Hij door de Joden gedood Hand. 4:10, 5:30, 1 Thes. 2:15 en stierf Hij aan het vloekhout van het kruis. Gal. 3:13, Kol. 2:14, 1 Pet. 2:1 Maar al heeft Hij in Gethsemané en op Golgotha zwaar geleden, Fil. 2:6, Heb. 5:7-8, 12:2, 13:12 door het storten van zijn bloed heeft Hij de verzoening en een eeuwige gerechtigheid teweeggebracht. Hand. 20:28, Rom. 3:25, 5:9, Kol. 1:20 En daarom heeft God Hem ook opgewekt, aan zijn rechterhand verhoogd en als een Heer en Christus, als een Vorst en Zaligmaker voor alle volken aangesteld. Hand. 2:32-33, 2:36, 5:30-31, Rom. 8:34, 1 Kor. 15:20, Fil. 2:9 enz.




















