Maar deze belijdenis was, om zo te zeggen, een voorlopige. Ze was nog absoluut niet wat ze wezen moest en worden zou. Ze ging nog gepaard met allerlei dwalingen over de aard van het messiasschap. De leerlingen dachten onwillekeurig dat Jezus een Messias zou zijn zoals de Joden van die tijd het zich algemeen voorstelden: een koning die de strijd tegen de heidense volken zou aanbinden en Israël in heerlijkheid aan de spits van de naties zou stellen. Toen Jezus in zijn openbaar optreden niet aan deze verwachting beantwoordde, toen raakte zelfs een Johannes de Doper aan het twijfelen. Mat. 11:2 e.v. En de leerlingen moesten ieder ogenblik door Jezus terechtgewezen en beter onderricht worden. De Joodse Messiasverwachting zat hun zo diep in de ziel dat ze zelfs na de opstanding aan Jezus vragen of Hij nu dan toch voor Israël het koninkrijk zou oprichten. Hand. 1:6

Deze verkeerde opvattingen die er algemeen, ook in de kring van zijn leerlingen, over het messiasschap heersten, maakten het voor Jezus noodzakelijk bij de prediking daarvan een bepaalde opvoedkundige gedragslijn te volgen. Het is bekend dat Jezus in de eerste tijd van zijn optreden nooit met zoveel woorden zegt dat Hij de Christus is. De inhoud van zijn prediking is het koninkrijk van de hemelen en de natuur, de oorsprong, de voortgang, de voltooiing van het koninkrijk zet Hij uitvoerig, vooral in treffende gelijkenissen, uiteen. En zijn werken bestaan uit werken van barmhartigheid, uit het genezen van ziekten en van allerlei kwalen onder het volk. Die werken getuigen van Hem en daaruit moeten zijn leerlingen, ook Johannes de Doper, opmaken wie en wat Hij is, waarin het karakter van zijn messiasschap ligt. Sterker nog: het is alsof zijn messiasschap een geheim is, dat niet publiek gemaakt mag worden. Meerdere keren brachten zijn werken mensen op de gedachte dat Hij de Christus was, maar dan gebood Hij scherp dat men dit tegen niemand zeggen zou. Mat. 8:4, 9:30, 12:16, Mar. 1:34, 1:43, 3:12, 5:43, 7:36, 8:26, Luk. 5:13 Ja, zelfs als tegen het einde van zijn leven de leerlingen Hem beter leren kennen en toch door de mond van Petrus op de weg naar Caesarea Filippi Hem belijden als de Christus, de Zoon van de levende God, dan nog gebiedt Hij hun scherp dat ze het tegen niemand zeggen zouden. Mat. 16:20, Mar. 8:30 Jezus was de Christus, maar Hij was het in een andere zin dan de Joden het zich toen voorstelden. Hij wilde en mocht het niet zijn overeenkomstig hun verwachtingen. Dan ontweek Hij hen zelfs om niet met geweld genomen en tot koning verheven te worden. Joh. 6:14-15 Messias was Hij en wilde Hij zijn, maar niet in overeenstemming met de wil en de gunst van het volk, maar met de wil en de raad van zijn Vader, met de profetie van het Oude Verbond.
Daarom kiest Hij om zichzelf aan te duiden die eigenaardige naam Mensenzoon, die in de evangeliën herhaaldelijk op zijn lippen voorkomt. De naam is ongetwijfeld ontleend aan Daniël 7:13, waar de wereldrijken worden voorgesteld onder het beeld van dieren, maar de heerschappij van God over zijn volk onder de gelijkenis van een mensenzoon. Die plaats werd ook in sommige Joodse kringen in messiaanse zin verklaard en de naam was dus, in elk geval bij sommigen, bekend als een aanduiding van de Messias. Joh. 12:34 Maar toch schijnt het geen gewone naam geweest te zijn en ook geen vaste betekenis te hebben gehad. Er konden zich met deze naam niet zulke vleselijke verwachtingen verbinden als bijvoorbeeld met de naam Zoon van David, koning van Israël. Daarom was deze naam voor Jezus het meest geschikt, want Hij drukte er aan de ene kant mee uit dat Hij de Messias was, die door de profetie beloofd was, en aan de andere kant dat Hij dit toch niet was in de zin en volgens de gedachte van het Joodse volk.
Dit wordt bewezen door het gebruik dat Jezus van deze naam maakt. Hij duidt zichzelf met deze titel aan in twee reeksen van plaatsen, namelijk in teksten waarin Hij spreekt over zijn armoede, lijden en vernedering en in andere waarin Hij spreekt over zijn macht, hoogheid en verhoging. Zo zegt Hij bijvoorbeeld in het eerste geval: ‘De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn ziel te geven als een losprijs voor velen.’ Mat. 20:28 In het andere geval verklaart Hij voor de hoge raad dat Hij inderdaad de Messias is en voegt er dan aan toe: ‘Maar ik zeg jullie, van nu af zullen jullie de Mensenzoon zien, zittend aan de rechterhand van Gods kracht en komend op de wolken van de hemel.’ Mat. 26:64 Dezelfde gedachte dringt zich aan ons op, als we plaatsen als Mattheüs 8:20, 11:19, 12:40, 17:12, 18:11, 20:18 enzovoort vergelijken met Mattheüs 9:6, 10:23, 12:8, 13:41, 16:27, 17:9, 19:28, 24:27, 30, 37 en 39, 25:13 en 31 enzovoort. Jezus beschrijft zichzelf met deze naam in zijn volle messianiteit, in zijn vernedering, in zijn verhoging, in zijn genade en in zijn macht, als Zaligmaker en als Rechter.
En daarin vat Hij nu heel de oudtestamentische profetie over de Messias samen. Zoals we eerder hebben aangewezen, ontwikkelde die zich in twee richtingen, in die van de gezalfde Koning uit Davids huis en in de lijdende knecht van de Heer. Deze lijnen lopen in het Oude Testament doorgaans evenwijdig naast elkaar, maar bij Daniël ontmoeten ze elkaar. Gods Koninkrijk zal in de echte, volle zin een heerschappij zijn, maar die heerschappij zal een menselijke zijn, de heerschappij van een Mensenzoon. En zo zegt Jezus nu ook dat Hij wel degelijk een Koning is, de Koning van Israël, de door God beloofde en gezalfde Koning. Maar Hij is het toch in een andere zin dan de Joden verwachtten. Hij is een Koning die rijdt op het veulen van een ezelin, een Koning van de gerechtigheid en van de vrede, een Koning die tegelijk Priester is, een Koning die tegelijk Zaligmaker is. Macht en liefde, gerechtigheid en genade, hoogheid en nederigheid, God en mens zijn in Hem verenigd.
Hij is de volkomen vervulling van heel de oudtestamentische wet en profetie, van al het lijden en al de heerlijkheid, die als voorbereiding en voorafschaduwing het deel van Israël waren. Hij is het tegenbeeld van de koningen en de priesters onder Israël, het tegenbeeld van het volk van Israël zelf, dat een priesterlijk koninkrijk en een koninklijk priesterschap moest zijn. Hij is Koning-Priester en Priester-Koning, Immanuel, God met ons. Daarom is het koninkrijk dat Hij prediken en stichten kwam, tegelijk innerlijk en uiterlijk, onzichtbaar en zichtbaar, geestelijk en lichamelijk, tegenwoordig en toekomstig, specifiek en universeel, van boven en toch beneden, uit de hemel en toch op aarde. En Jezus komt nog eenmaal terug. Hij kwam om de wereld te behouden, Hij komt terug om haar te oordelen.




















