Nog één trek moet aan dit beeld van Jezus, zoals de evangeliën het voor ons tekenen, worden toegevoegd. En die ligt erin dat Hij zich ervan bewust is dat Hij de Zoon van God is in een heel bijzondere zin.

In het Oude Testament werd deze naam al gebruikt voor de engelen, Job 38:7 voor het volk van Israël Ex. 4:22, Deut. 14:1, Jes. 63:6, Hos. 11:1 en in dat volk opnieuw voor de rechters Ps. 82:6 en voor de koningen. 2 Sam. 7:11-14, Ps. 2:7, 89:27- 28 In het Nieuwe Testament heet Adam de zoon van God, Luk. 3:38 dragen Gods kinderen die naam 2 Kor. 6:18 en wordt Hij vooral aan Christus geschonken. Van verschillende kanten en door zeer verschillende personen wordt Hij met die naam aangeduid, door Johannes de Doper en Nathanaël, Joh. 1:34, 1:50 door satan en de bezetenen Mat. 4:3, 8:29, Mar. 3:11 door de hogepriester, de menigte van de Joden en de centurio, Mat. 26:63, 27:40, 27:54 door de leerlingen, Mat. 14:33, 16:16 en door de evangelisten. Mar. 1:1, Joh. 20:31 Jezus noemt zichzelf gewoonlijk wel niet met die naam, maar Hij aanvaardde toch deze belijdenis van zijn goddelijk zoonschap zonder enige tegenspraak en komt er bij sommige gelegenheden openlijk voor uit dat Hij Gods Zoon is. Mat. 16:16-17, 26:63-64, 27:40, 27:43
Nu is er wel geen twijfel aan dat de verschillende personen die Jezus zo aanduidden, deze naam niet allen in dezelfde diepe zin hebben opgevat. Op de lippen van de centurio, Mat. 27:54 van de hogepriester, Mat. 26:63 van Petrus Mat. 16:16 had dezelfde naam toch niet dezelfde inhoud en dezelfde betekenis. De centurio was een heiden en noemde Jezus ook niet de, maar een zoon van God. De hogepriester dacht daarbij vooral aan de messiaanse waardigheid, want hij ondervroeg Jezus juist of Hij de Christus, de Zoon van God was. Maar als Petrus, nadat hij lange tijd met Jezus omgang had gehad, Hem met nadruk belijdt als de Christus, de Zoon van de levende God, die de woorden van het eeuwige leven heeft, dan ligt hier zonder twijfel al een diepere zin in opgesloten, die de leerlingen later na de opstanding steeds voller en rijker hebben leren verstaan.
Inderdaad kan Jezus ook in oudtestamentische, theocratische zin met de naam Zoon van God worden aangeduid. Als de door God gezalfde Koning mag en kan Hij zijn Zoon heten. Hij is de Zoon van de Allerhoogste, aan wie God de Heer de troon van zijn vader David zal geven. Luk. 1:32 Hij is het heilige zaad dat uit Maria geboren werd, Luk. 1:35 de Heilige van God, zoals de bezetene Hem noemde, Mar. 1:24 de Zoon van de gezegende van God, zoals de hogepriester deze uitdrukking als een nadere omschrijving van de Messias gebruikte. Mar. 14:62 Maar dit theocratisch zoonschap heeft bij Jezus een diepere zin en komt bij Hem op uit een andere verhouding tot de Vader. Hij is maar niet Gods Zoon geworden, doordat Hij op een bovennatuurlijke manier in Maria ontvangen werd, Luk. 1:35 ook niet omdat Hij bij de doop de Heilige Geest heeft ontvangen zonder mate Mat. 3:16 en evenmin omdat Hij door de opstanding door God een Heer en Christus gemaakt is. Hand. 2:36 Weliswaar is Hij bij die gelegenheden door de Vader als zijn Zoon in Christus erkend en gehuldigd. Maar toch begon zijn messiaanse waardigheid niet toen pas. Die gaat veel verder terug. En de Schrift leert ons dat Christus eigenlijk niet Zoon van God heet omdat Hij de gezalfde Koning van Israël, de Messias is, maar juist omgekeerd, dat Hij door God tot Koning is aangesteld omdat Hij in een geheel unieke zin zijn Zoon was.
Dat dit elders in de Schrift zo wordt voorgesteld, is boven alle twijfel verheven. Al bij Micha heet het dat de oorsprongen van de heerser uit Davids huis van oudsher zijn, van eeuwige dagen af. Micha 5:1 In Hebreeën wordt het vers uit Psalm 2, ‘Vandaag heb ik u verwekt,’ toegepast op de eeuwigheid, waarin Christus als de Zoon, als de afstraling van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van zijn zelfstandigheid, door de Vader is voortgebracht. Heb. 1:5, 5:5 En in Romeinen betuigt de apostel dat door de opstanding uit de doden overtuigend bewezen is dat Christus Gods Zoon is. Rom. 1:4 Hij was Gods Zoon in bijzondere zin, van eeuwigheid, Rom. 8:32, Gal. 4:4, Fil. 2:6 maar in zijn bovennatuurlijke ontvangenis, doop en opstanding kwam dit steeds helderder aan het licht.
Ditzelfde onderwijs vinden we nu ook al in het evangelie volgens de beschrijving van Mattheüs, Markus en Lukas. Jezus is zich ervan bewust dat Hij tot de Vader in een relatie staat die wezenlijk verschilt van die van alle andere mensen. Al als jongen wist Hij dat Hij moest zijn in de dingen van zijn Vader. Luk. 2:49 Bij de doop en later nog een keer na de verheerlijking op de berg verklaart God openlijk door een stem uit de hemel dat dit zijn geliefde, enige Zoon is, in wie Hij al zijn welbehagen heeft. Mat. 3:17, 17:5
Hij spreekt over zichzelf als de Zoon die ver boven de engelen verheven is. Mat. 24:36, Mar. 13:32 Andere mannen die door God gezonden zijn, zijn maar dienaren, maar Hij is de enige zoon, de zoon die de Vader lief was en die zijn erfgenaam was. Mar. 12:6-7 Het koninkrijk waarin Hij regeert, werd door zijn Vader voor Hem bestemd. Luk. 22:29 Hij zendt aan zijn leerlingen de belofte van zijn Vader Luk. 24:49 en zal eenmaal komen in de heerlijkheid van zijn Vader. Mar. 8:38 Hij spreekt nooit over onze Vader, maar altijd over zijn Vader. Hij legt echter wel de bede ‘onze Vader’ op de lippen van al zijn leerlingen. Mat. 6:9 Hij is kortom de Zoon, Mar. 13:32 terwijl al zijn leerlingen kinderen van hun Vader zijn. Mat. 5:45 Hem zijn door de Vader alle dingen overgegeven, want niemand kent de Zoon dan de Vader en niemand kent de Vader dan de Zoon en degene aan wie de Zoon het wil openbaren. Mat. 11:27 En na de opstanding geeft Hij zijn leerlingen de opdracht dat ze alle volken moeten onderwijzen, door hen te dopen in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest, door hun te leren alles in acht te nemen wat Hij hun geboden heeft. Mat. 28:19
Het evangelie van Johannes, waar niet alleen de evangelist, maar ook de apostel aan het woord is, voegt hieraan niets wezenlijk nieuws toe, maar werkt alles wel veel dieper en breder uit. De naam Zoon van God heeft ook hier soms nog een theocratische betekenis. Joh. 1:34, 1:50, 11:27, 20:31 Maar in de regel heeft hij een diepere betekenis. Niet alleen wordt Jezus door anderen dikwijls de Zoon van God genoemd, Joh. 1:34, 1:50, 6:68 maar Hij noemt zich ook zelf zo Joh. 5:25, 9:35, 10:36, 11:4 en spreekt in nog meer gevallen over zichzelf alleen als de Zoon, zonder verdere aanduiding. Als zodanig schrijft Hij zichzelf de macht toe om wonderen te doen, Joh. 9:35, 11:4 om geestelijk en lichamelijk doden op te wekken en levend te maken Joh. 5:20 e.v. en maakt Hij zichzelf, zoals de Joden ook begrepen, aan God gelijk. Joh. 5:18, 10:33 e.v. Hij sprak dan ook over de Vader en over zichzelf als de Zoon telkens op zo’n innige manier, dat deze uitspraken alleen tot hun recht komen wanneer God in een heel bijzondere zin zijn Vader is, wanneer Hij zijn eigen Vader is. Joh. 5:18 Alles wat Hij de Vader toekent, schrijft Hij ook zichzelf toe. De Vader gaf Hem macht over al het vlees, Joh. 17:2 zodat het lot van alle mensen afhangt van de verhouding waarin ze zich plaatsen tot Hem. Joh. 3:17, 6:40 Hij maakt, net als de Vader, levend wie Hij wil, Joh. 5:21 houdt gericht over allen, Joh. 5:27 doet alles wat de Vader doet Joh. 5:19 en ontving van de Vader zelfs dat Hij het leven heeft in zichzelf. Joh. 5:26 Hij en de Vader zijn één. Joh. 10:30 Hij is in de Vader en de Vader is in Hem. Joh. 10:38 Hem zien is de Vader zien. Joh. 14:9 Weliswaar is de Vader groter dan Hij, Joh. 14:28 want de Vader heeft Hem gezonden, zoals Jezus telkens verklaart. Joh. 5:24, 5:30, 5:37 enz. Maar dat neemt niet weg dat Hij al vóór zijn vleeswording in Gods heerlijkheid was en daarin straks terugkeert. Joh. 17:5 Zijn zoonschap berust niet op zijn zending, maar omgekeerd berust zijn zending op zijn zoonschap. Joh. 3:16-17, 3:35, 5:20, 17:24 Daarom is Hij de Zoon, de eniggeboren Zoon, Joh. 1:18, 3:16, 3:18, 1 Joh. 4:9 de eniggeborene van de Vader, Joh. 1:14 het Woord dat in het begin bij God en zelf God was, Joh. 1:1 de Zaligmaker van de wereld, Joh. 4:42 die Thomas aanspreekt en belijdt als zijn Heer en zijn God. Joh. 20:28




















