14.4 – De troost van de uitverkiezing

0
78

Deze raad van God is daarom ook onuitsprekelijk rijk aan troost. Vaak wordt hij heel anders beschouwd en als een oorzaak van moedeloosheid en vertwijfeling voorgesteld. Men brengt er dan tegen in dat, wanneer alles van eeuwigheid is bepaald, de mens een speelbal wordt in de handen van goddelijke willekeur. Wat baat het een mens of hij zich inspant en zich toelegt op een deugdzaam leven? Als hij verworpen is, dan gaat hij toch verloren. En omgekeerd, wat schaadt het de mens dat hij in de zonde leeft en zich aan de verschrikkelijkste goddeloosheid en zedeloosheid overgeeft? Als hij uitverkoren is, dan wordt hij toch behouden! Voor de vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens laat zo’n raad van God niet de minste ruimte meer over. Laat hij dan leven volgens het goeddunken van zijn hart en de zonde doen, opdat de genade nog meer mag worden!

Dat de belijdenis van Gods raad vaak op deze manier misbruikt is, kan volmondig worden toegestemd. En zo’n misbruik werd er niet pas sinds Augustinus en Calvijn van gemaakt, maar kwam ook al voor in de dagen van Jezus en de apostelen. Want van de farizeeën en wetgeleerden staat opgetekend dat ze Gods raad, die in de doop van Johannes openbaar werd, ten opzichte van zichzelf verwierpen, zodat wat voor hen als een middel tot bekering had moeten dienen, door hen veranderd werd in een instrument tot hun ondergang. Luk. 7:30 En de apostel Paulus noemt het laster als hem verweten wordt dat hij het doen van het kwade zou aanprijzen, opdat daaruit het goede zou voortkomen Rom. 3:8 en legt de nietige mens die God durft aanklagen de hand op de mond. Rom. 9:19-20 Daartoe heeft hij ook het volste recht. Want Gods raad stelt niet alleen de uitkomst, maar ook alle middelen en wegen vast. Hij neemt niet alleen de gevolgen, maar ook de oorzaken op en legt tussen beide zo’n verband als in de werkelijkheid van het leven zelf aan het licht komt. Hij vernietigt de redelijke en morele natuur van de mens dus niet, maar schept en waarborgt ze juist en altijd in dezelfde mate als de geschiedenis ons die laat kennen.

Het misbruik dat van deze belijdenis gemaakt wordt, is nog ernstiger omdat Gods raad in de Schrift niet geopenbaard en gepredikt wordt opdat wij de werkelijkheid daarvan zouden ontkennen en ons ertegen zouden verharden, maar juist integendeel, opdat wij onze schuld en onmacht zouden voelen, ons met kinderlijk geloof op die raad van God zouden verlaten en in alle nood en dood daarop met volle zekerheid van ons hart al ons vertrouwen zouden stellen. Want als de zaligheid voor een groter of kleiner deel van de mens afhing, van zijn geloof en van zijn goede werken, dan zou ze voor eeuwig voor hem verloren zijn. Maar nu leert Gods raad ons dat de verlossing van het begin tot het einde Gods werk is, het goddelijk werk bij uitstek. De herschepping is, net als de schepping en de voorzienigheid, een werk van God alleen. Geen mens is zijn raadsman geweest of heeft Hem eerst iets gegeven, zodat het hem vergolden zou worden. Rom. 11:34-35 Vader, Zoon en Geest samen hebben heel het werk van de zaligheid uitgedacht en vastgesteld en zij zijn het ook die het uitvoeren en volkomen tot stand brengen. Er komt niets in van de mens. Uit, door en tot God zijn alle dingen. En daarom kan onze ziel erin rusten met ongeschokte zekerheid. Het is zijn wil, zijn eeuwige, onafhankelijke en onveranderlijke wil, dat in de gemeente de mensheid hersteld en gezaligd wordt.

Van deze troost van de verkiezing worden we nog sterker overtuigd wanneer we bedenken dat Gods raad niet alleen een werk is van zijn verstand, maar ook een werk van zijn wil, niet een gedachte alleen, die in de eeuwigheid thuis hoort, maar ook een almachtige kracht, die zichzelf verwezenlijkt in de tijd. Trouwens, zo is het met al Gods deugden en volmaaktheden gesteld. Het zijn geen rustende, zwijgende, werkeloze eigenschappen, maar almachtige krachten, vol van leven en daad. Elke eigenschap is zijn wezen. Als God de Rechtvaardige en Heilige heet, dan sluit dit in dat Hij zo zich openbaart en dat Hij in de wereld, in de geschiedenis van de wereld en in het geweten van ieder mens zijn recht binnendraagt en handhaaft. Als Hij de Liefde heet, wil dat niet alleen zeggen dat Hij in Christus met welgevallen aan ons denkt, maar dat Hij die liefde ook uit en door de Heilige Geest in onze harten uitstort. Als Hij zich onze Vader noemt, dan houdt dit ook in dat Hij ons opnieuw geboren laat worden, ons als zijn kinderen aanneemt en door zijn Geest met onze geest getuigt dat wij zijn kinderen zijn. Als Hij zich als de Genadige en Barmhartige bekendmaakt, dan zegt Hij dit niet alleen, maar dan toont Hij dat ook doordat Hij daadwerkelijk onze zonden vergeeft en in alle ellende ons troost. En zo ook, als de Schrift ons spreekt over Gods raad, dan verkondigt zij ons daarin dat God die raad zelf uitvoert en volledig verwezenlijkt. De raad van de verlossing is zelf als besluit een werk van God in de eeuwigheid, maar als zodanig ook het begin, de drijfkracht en de waarborg van het werk van de zaligheid in de tijd. Daarom, wat er ook gebeurt met wereld en mensheid en ook met onze eigen persoon, de altijd wijze raad van de Heer houdt eeuwig stand, heeft altijd kracht. Niets kan zijn hoog besluit ooit keren, het blijft van generatie tot generatie. Voor moedeloosheid en vertwijfeling bestaat er niet de minste reden. Het komt alles vast en zeker zoals God het in zijn wijsheid en liefde bepaald heeft. Zijn almachtige en genadige wil is de waarborg van de verlossing van de mensheid en de redding van de wereld. In de grootste smarten blijven onze harten dus in de Heer gerust.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in