14.3 – De verlossing gaat van God uit

0
139

Daarom komt nu bij de algemene de bijzondere openbaring. En die is het waardoor God van zijn kant uit zijn verborgenheid tevoorschijn komt en zichzelf aan de mens bekendmaakt en woning in hem komt maken. Tussen de zelf uitgedachte en eigenwillige godsdiensten van de volken en de godsdienst die op de bijzondere openbaring aan Israël en in Christus rust, bestaat dus een principieel onderscheid. In de ene is het altijd de mens die God probeert te vinden, maar zich steeds een valse voorstelling van Hem vormt en daarom ook nooit een juist inzicht verkrijgt in het wezen van de zonde en de weg van de verlossing. Maar in de religie van de Heilige Schrift is het altijd God die de mens zoekt, die hem aan zichzelf in zijn schuld en onreinheid onthult, maar daartegenover ook zichzelf in zijn genade en ontferming bekendmaakt. Daar stijgt uit de diepte van het menselijk hart de verzuchting omhoog: ‘Och, als God toch de hemelen scheurde en neerdaalde.’ Hier gaan de hemelen open en daalt God zelf op aarde neer. Daar zien we altijd de mens aan het werk, of hij, door het verwerven van kennis, door het in acht nemen van allerlei geboden of door het zich terugtrekken uit de wereld in de verborgenheid van zijn eigen gemoed, deel zou kunnen krijgen aan de verlossing van het kwaad en de gemeenschap met God. Hier valt al het werk van de mens weg en is het God zelf die handelend optreedt, in de geschiedenis ingrijpt, de weg van de verlossing in Christus baant en door de kracht van zijn genade de mens daarin overbrengt en laat wandelen. De bijzondere openbaring is het antwoord dat God zelf in woord en daad laat horen op de vragen die door zijn eigen leiding oprijzen in het menselijk hart.

Al meteen na de val zien we dat God naar de mens toe komt. De mens die gezondigd heeft, wordt op datzelfde ogenblik door schaamte en vrees bevangen. Hij ontvlucht zijn schepper en verbergt zich in het dichte geboomte van de hof. Maar God vergeet de mens niet. Hij laat hem niet los, daalt neer, zoekt hem op, spreekt met hem en leidt hem terug in de gemeenschap met Hem. Gen. 3:7-15

En wat zo meteen na de val plaatsvond, gaat van generatie tot generatie in de geschiedenis verder. Zoals het daar toeging, zo zien we het altijd gebeuren. In heel het werk van de verlossing is het God en God alleen die als de zoekende en roepende, als de sprekende en handelende optreedt. Heel de verlossing gaat van Hem uit en keert tot Hem terug. Hij is het die Seth in de plaats van Abel stelt, Gen. 4:25 die Noach in zijn gunst laat delen Gen. 6:8 en in het gericht van de zondvloed bewaart, Gen. 6:12 e.v. die Abram roept en in zijn verbond opneemt, Gen. 12:1, 17:1 die het volk van Israël uit louter genade als zijn erfdeel uitkiest, Deut. 4:20, 7:6-8 die in de volheid van de tijd zijn eniggeboren Zoon in de wereld zendt Gal. 4:4 en nu in deze bedeling uit heel het menselijk geslacht een gemeente voor zich bijeenbrengt, die Hij heeft uitverkoren voor het eeuwige leven en voor de hemelse erfenis tot het einde toe bewaart. Ef. 1:10, 1 Pet. 1:5 Zoals in het werk van de schepping en van de voorzienigheid, zo is God ook in het werk van de herschepping de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde. Jes. 44:6, Op. 22:13 Hij kan niet anders en niet minder zijn, omdat Hij God is. Uit en door en tot Hem zijn alle dingen. Rom. 11:36

Dat God in het werk van de zaligheid de eerste is, blijkt niet alleen doordat de bijzondere openbaring geheel van Hem uitgaat. Het komt ook helder aan het licht doordat heel dat werk op een eeuwige raad van de verlossing berust. Eerder hebben we aangetoond dat heel Gods schepping en voorzienigheid uit zo’n raad opkomt. Maar zo mogelijk in nog duidelijkere taal en in nog sterkere bewoordingen worden we door de Schrift onderwezen dat zo’n eeuwige en onveranderlijke raad ook aan de basis ligt van heel het werk van de herschepping.

Er is immers in de Schrift meermalen sprake van een raad die aan alle dingen voorafgaat, Jes. 46:10 alle dingen werkt Ef. 1:11 en vooral het werk van de verlossing als inhoud heeft. Luk. 7:30, Hand. 20:27, Heb. 6:17 Die verder als raad, niet alleen van Gods verstand maar ook van zijn almachtige wil, Ef. 1:5, 1:11 onverbreekbaar Jes. 14:27, 46:10 en onveranderlijk is Heb. 6:17 en eeuwig zal bestaan. Ps. 33:11, Spr. 19:21 Andere namen lichten deze gedachte toe: we vinden dat er niet alleen melding gemaakt wordt van een raad van God, maar ook van een welbehagen dat God in Christus met betrekking tot de mensen heeft geopenbaard Luk. 2:14 en dat er plezier in heeft hun aan te nemen als kinderen, Mat. 11:26, Ef. 1:5, 1:9 van een voornemen dat verkiezend te werk gaat, Rom. 9:11, Ef. 1:9 in Christus gemaakt is Ef. 3:11 en zich in de roeping realiseert, Rom. 8:28 van een verkiezing en voorkennis die in genade haar oorsprong, Rom. 11:5 in Christus haar middelpunt, Ef. 1:4 bepaalde personen als object Rom. 8:29 en hun zaligheid als doel heeft, Ef. 1:4 en ten slotte van een voorbestemming die door middel van de verkondiging van Gods wijsheid 1 Kor. 2:7 uitloopt op de aanneming als kinderen, op de gelijkvormigheid met Christus, op het eeuwige leven. Hand. 13:48, Rom. 8:29, Ef. 1:5

Wanneer we al deze gegevens van de Heilige Schrift samenvatten, blijkt dat Gods raad vooral drie zaken als inhoud heeft.

In de eerste plaats ligt er de uitverkiezing in opgesloten. Dat is dat genadig voornemen van God volgens welke Hij degenen die Hij in liefde van tevoren gekend heeft, ook van tevoren ervoor bestemd heeft om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn. Rom. 8:29 Men kan ook wel van een verkiezing van de volken spreken, want in de dagen van het Oude Testament werd alleen Israël uit alle volken door de Heer als zijn erfdeel aangenomen. En in de nieuwtestamentische bedeling wordt het ene volk veel eerder dan het andere met het evangelie bekend gemaakt. Maar bij deze aanneming van de volken blijft de verkiezing van de Schrift toch niet staan. Ze gaat in de mensheid door naar de volken en in de volken naar de personen, zodat een Ezau verworpen en een Jakob aangenomen wordt Rom. 9:13 en dezelfde personen die van tevoren gekend zijn, ook in de tijd geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt worden. Rom. 8:30

Maar al is het zo dat de verkiezing bepaalde personen als object heeft, ze heeft niet in die personen, maar alleen in Gods genade haar basis. De Heer ontfermt zich over wie Hij zich ontfermt en Hij is barmhartig voor wie Hij barmhartig is, zodat het niet afhangt van degene die wil en ook niet van degene die loopt, maar van God die zich ontfermt. Rom. 9:15-16 Ook het geloof komt hierbij niet in aanmerking, want het geloof kan niet de voorwaarde of de reden voor de verkiezing zijn, omdat het het gevolg en de vrucht ervan is. Dat geloof is immers een gave van God. Ef. 2:8 De gelovigen zijn juist vóór de grondlegging van de wereld in Christus uitverkoren, opdat ze in de tijd tot geloof zouden komen en door dat geloof heilig en onberispelijk zouden zijn voor Gods aangezicht, Ef. 1:4 zodat er dan ook altijd zovelen geloven als er door God voorbestemd zijn voor het eeuwige leven. Hand. 13:48 Gods wil is voor ons de laatste reden voor alles wat bestaat en gebeurt. En zo is ook zijn welbehagen de diepste oorzaak waartoe het onderscheid in de eeuwige bestemming van de mensen herleid kan worden.

In de tweede plaats is in de raad van de verlossing de verwerving vastgesteld van heel de zaligheid die God aan zijn uitverkorenen wil schenken. In het plan van de verlossing zijn niet alleen de personen opgenomen die de eeuwige zaligheid beërven zullen, maar is ook de Middelaar aangewezen die voor hen die zaligheid gereed zal maken. In zoverre kan Christus zelf het object van Gods verkiezing heten. Natuurlijk niet in de zin dat Hij net als de leden van zijn gemeente uit een toestand van zonde en ellende tot een staat van verlossing, van zaligheid uitverkoren zou zijn. Maar toch wel in deze andere betekenis dat Hij, die de Middelaar van de schepping was, ook de Middelaar van de herschepping zou zijn en die door zijn lijden en sterven volledig tot stand zou brengen. Daarom heet Christus de knecht van de Heer, die door God is uitverkoren, Jes. 42 e.v., Mat. 12:18 die als Middelaar ondergeschikt en gehoorzaam is aan de Vader, Mat. 26:42, Joh. 4:34, Fil. 2:8, Heb. 5:8 die een gebod en een werk moet volbrengen dat de Vader hem heeft opgedragen Jes. 53:10, Joh. 6:38-40, 10:18, 12:49, 17:4 en die als loon voor zijn volbrachte werk zijn eigen heerlijkheid, de zaligheid van zijn volk en de hoogste macht in hemel en aarde ontvangt. Ps. 2:8, Jes. 53:10, Joh. 17:4, 7:24, Fil. 2:9

Evenmin als de raad van schepping en voorzienigheid gaat dus ook die over de herschepping buiten de Zoon om. Trouwens, we lezen uitdrukkelijk dat het eeuwige voornemen in Christus is gemaakt Ef. 3:11 en dat degenen die in de tijd tot het geloof komen, vóór de grondlegging van de wereld in Christus zijn uitverkoren. Ef. 1:4 Dat wil natuurlijk niet zeggen dat Christus het fundament of de oorzaak van de verkiezing is, want Hij is immers zelf object van de verkiezing door de Vader in de boven omschreven zin en kan dus evenmin in de herschepping als reden en oorzaak optreden als dit bij de schepping en de voorzienigheid het geval is. Gods raad heeft evenals alle dingen zijn uitgangspunt en basis in de Vader. Maar zoals de schepping en voorzienigheid beide in het besluit en in de werkelijkheid uit de Vader door de Zoon tot stand komen, zo wordt het plan van de verlossing door de Vader ook in en met de Zoon gemaakt. Met de Vader wijst Hij zichzelf aan als de Middelaar van de zaligheid en als het Hoofd van zijn gemeente. En hieruit mogen we afleiden dat de verkiezing, al heeft ze bepaalde personen als object, toch elk toeval en willekeur uitsluit. Want die verkiezing heeft niet als doel om enkele mensen in het wilde weg tot de zaligheid te brengen en hen als enkelingen los naast elkaar te laten staan. Nee, God beoogt er niets minder mee dan om Christus de Middelaar ook aan te stellen als Hoofd van de gemeente en de gemeente te vormen tot lichaam van Christus. 1 Kor. 12:12, 12:27, Ef. 1:22-23, 4:16 In de gemeente wordt in organische zin de mensheid behouden en in de nieuwe hemel en aarde de wereld hersteld.

Daarom is in de derde plaats in Gods raad ook de uitwerking en toepassing van de door Christus verworven zaligheid bepaald. Het plan van de verlossing is door de Vader in de Zoon, maar ook in de gemeenschap met de Geest vastgesteld. Zoals immers de schepping in de voorzienigheid uit de Vader, door de Zoon en in de Geest tot stand komt, zo vindt ook de herschepping alleen plaats door de toepassende activiteit van de Heilige Geest. Hij is het immers die door Christus verworven, beloofd en geschonken wordt, Joh. 16:7, Hand. 2:4, 2:17 die van Christus getuigt en alles uit Christus neemt Joh. 15:26, 16:13-14 en die nu in de gemeente de wedergeboorte, Joh. 3:3 het geloof, 1 Kor. 12:3 het kindschap, Rom. 8:15 de vernieuwing Tit. 3:5 en de verzegeling tot de dag van de verlossing werkt. Ef. 1:13, 4:30 En dat alles kan de Heilige Geest uitwerken en tot stand brengen omdat Hij met de Vader en de Zoon de enige echte God is, die leeft en regeert in eeuwigheid. De liefde van de Vader, de genade van de Zoon en de gemeenschap met de Heilige Geest liggen voor het volk van de Heer vast in de eeuwige en onveranderlijke raad van God.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in