11.1 – Alles is het werk van de levende God

0
3

De praktische betekenis die de leer van de drie-eenheid voor het leven van de christen bezit, stelt het buiten alle twijfel dat de Heilige Schrift ons geen abstract godsbegrip wil geven, maar dat ze ons allen persoonlijk met de levende en echte God zelf in aanraking en gemeenschap wil brengen. Ze breekt onze voorstellingen en begrippen af en voert ons terug naar God zelf. En daarom redeneert ze niet over God, maar ze laat Hem aan ons zien en toont Hem in al de werken van zijn handen. Hef je ogen op en zie toch wie al deze dingen geschapen heeft. Uit de schepselen worden vanaf het begin zijn onzichtbare dingen, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, gekend en gezien. Niet buiten zijn werken om wordt God gekend en verheerlijkt, door speculatie en redenering, maar uit zijn werken in natuur en genade.

Daarom wijst de Heilige Schrift ons voortdurend op Gods grote werken. Ze is tegelijk een beschrijving van en een lofzang op Gods werken. Juist omdat ze ons de levende, de echte God wil laten kennen, heeft ze het haast op elke bladzijde over zijn machtige daden. Als de levende God is Hij tegelijk de werkende God. Hij kan niet anders dan werken. Hij werkt altijd, Joh. 5:17 want alle leven en dus vooral het volzalige, oneindige leven van God is kracht, energie, activiteit. Afhankelijk van hoe de maker is, is zijn werk. Omdat God de Maker, de Schepper van alle dingen is, zijn zijn werken groot en wonderlijk, Ps. 92:6, 139:14, Op. 15:3 waarachtig en trouw, Ps. 33:4, 111:7 rechtvaardig en goedertieren. Ps. 145:17, Dan. 9:14 Tot die werken behoren immers het scheppen en onderhouden van alle dingen, de hemel en de aarde, de mensheid en zijn volk, de wonderen aan Israël en de werken die Hij door zijn knecht laat volbrengen. Gen. 2:2-3, Ex. 34:10, Job 34:19, Jes. 19:25, Joh. 9:4 enz. En al die werken loven Hem. Ps. 145:10 Ja, de Heer verblijdt zichzelf erin. Ps. 104:31 Hij is de rotssteen wiens werk volkomen is. Deut. 32:4

Al die werken worden trouwens door God ook niet ondoordacht en gedwongen, maar volledig bewust en vrij tot stand gebracht. Dat blijkt alleen al doordat Hij alles schept en onderhoudt en regeert door zijn woord. Sprekend, gebiedend roept Hij de dingen en ze zijn er. Ps. 33:9 Zonder het Woord dat in het begin bij God en zelf God was, is zelfs geen enkel ding gemaakt dat gemaakt is. Joh. 3:13 In Job en Spreuken wordt het zo voorgesteld dat God, toen Hij de wereld schiep, eerst met de wijsheid beraadslaagd heeft, haar aanschouwd en doorzocht heeft, zodat nu alles met wijsheid is gemaakt. Job 28:20 e.v., Spr. 8:22 e.v., Ps. 104:24, Jer. 10:12 Dezelfde gedachte drukt de Heilige Schrift ook elders zo uit dat God alles overeenkomstig zijn raad tot stand brengt. Alleen ligt hierin nog helderder en krachtiger uitgedrukt dat al Gods werken, zowel in schepping als herschepping, niet alleen een openbaring zijn van zijn gedachte, maar ook een voortbrengsel van zijn wil. Er gaat, menselijk gesproken, aan al Gods werk naar buiten een overweging van het verstand en ook een besluit van de wil vooraf. Daarom wisselt de benaming raad van de Heer, bv. Ps. 33:11, Spr. 19:21, Jes. 46:10, Hand. 2:23 elders af met de benamingen besluit, Gen. 41:32, 2 Kron. 25:16, Ps. 2:7, Jes. 10:23, 14:27 voornemen, Jer. 51:12, Rom. 8:28, 9:11, Ef. 1:11, 3:11, 2 Tim. 1:9 verordinering, Hand. 10:42, 13:48, 17:26, 17:31, Rom. 8:29-30, Ef. 1:5, 1:11 en welbehagen Jes. 49:8, 53:10, 60:10, 61:2, Mat. 11:26, Ef. 1:5, 1:9 en spreekt Paulus over de raad en het welbehagen van Gods wil. Ef. 1:5, 1:11

Over die raad van God leert de Schrift dan verder dat hij groot en wonderlijk, Jes. 28:29, Jer. 32:19 onafhankelijk, Mat. 11:26 onveranderlijk, Heb. 6:17 onvernietigbaar is Jes. 46:10 en dat hij over alle dingen gaat, Ef. 1:11 ook bijvoorbeeld over de misdaad van de onrechtvaardigen om Christus aan het kruis te hechten en te doden. Hand. 2:23, 4:28 Doordat de dingen en gebeurtenissen, ook de zondige gedachten en daden van de mensen, in die raad van God eeuwig gekend en bepaald zijn, worden ze niet van hun karakter beroofd, maar juist allemaal in hun eigen aard en natuur, in hun verband en omstandigheden vastgesteld en gewaarborgd. In die raad van God is de zonde en de straf, maar ook de vrijheid en de verantwoordelijkheid, het plichtsbesef en het geweten, de wet en het recht opgenomen. Alles wat er is en gebeurt, staat in die raad van de Heer onderling juist in hetzelfde verband waarin het zich in de werkelijkheid aan onze ogen vertoond. De voorwaarden zijn er evengoed in bepaald als de gevolgen, de middelen evengoed als de doeleinden, de wegen evengoed als de uitkomsten, de gebeden evengoed als de verhoringen, het geloof evengoed als de rechtvaardiging, de heiliging evengoed als de verheerlijking. Volgens die raad heeft God zijn eniggeboren Zoon gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.

Als we de belijdenis van de altijd wijze raad van de Heer zo opvatten, in de zin van de Heilige Schrift en volgens de bedoeling van de Geest, dan is die belijdenis een bron van rijke troost. Want daardoor weten we dat geen blind toeval, geen donker noodlot, geen onredelijke en onzalige wil, geen onafwendbare natuurdwang de wereld en de mensheid beheerst, maar dat het bestuur over alle dingen berust in de handen van een almachtige God en een goedertieren Vader. Zeker is er geloof nodig om dit te begrijpen. Want we zien het heel vaak niet en de mens wandelt op deze aarde rond in raadsels. Maar dat geloof houdt ons toch staande in de strijd van het leven en laat ons vertrouwend en hopend de toekomst tegemoet gaan. Want de altijd wijze raad van de Heer houdt eeuwig stand en heeft altijd kracht.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in