Insitutie Boek 1 – God als schepper 1.7 – Het gezag van de Schrift 1.7.3 – Augustinus’ opvattingen over het gezag van de Schrift

1.7.3 – Augustinus’ opvattingen over het gezag van de Schrift

Ik weet wel dat er vaak een uitspraak wordt aangehaald van Augustinus, waarin hij zegt dat hij het evangelie niet zou geloven als het gezag van de kerk hem er niet toe had bewogen. Maar deze uitspraak wordt helemaal verkeerd aangehaald. Uit de context kun je gemakkelijk opmaken dat men de betekenis verdraait.

Augustinus had te maken met de manicheeërs. Die wilden zonder tegenspraak geloofd worden. Ze verzekerden wel dat zij de waarheid hadden, maar ze bewezen dat niet. Om de geloofwaardigheid van hun leermeester Mani1 te versterken, grepen ze naar het evangelie. En daarom vraagt Augustinus hun wat ze zouden doen als ze iemand tegenkwamen die zelfs het evangelie niet geloofde. Met wat voor argumenten zouden ze zo iemand overtuigen van hun gelijk?

En dan voegt hij daaraan toe: ‘Ik zou het evangelie in elk geval niet geloven als het gezag van de kerk mij er niet toe had bewogen.’2 Daarmee geeft hij aan dat – toen het geloof hem nog onbekend was – alleen het gezag van de kerk hem had kunnen overhalen om het evangelie te omhelzen als Gods zekere waarheid. Niets anders had hem daartoe kunnen brengen. Het is immers geen wonder als iemand die Christus nog niet heeft leren kennen, waarde hecht aan wat mensen zeggen?

Augustinus leert hier dus niet dat het geloof van de vromen gebaseerd is op het gezag van de kerk. Hij bedoelt niet dat de zekerheid van het evangelie daarvan afhangt. Hij zegt simpelweg dat ongelovigen de zekerheid van het evangelie nooit zouden krijgen en dus nooit voor Christus gewonnen zouden worden, als ze niet werden overgehaald doordat de kerk eensgezind het evangelie aanvaardt.

Even later bevestigt hij dat ook duidelijk. Want dan zegt hij: ‘Als ik mijn geloof prijs en jullie geloof uitlach, waar denk je dan waarop wij ons oordeel baseren? Wat moeten we doen? We moeten toch afstand nemen van mensen die ons eerst uitnodigen om dingen te geloven die zeker zijn, maar ons later opdragen om dingen te geloven die helemaal niet zeker zijn? En we moeten toch de mensen volgen die ons eerst uitnodigen om dingen te geloven die wij dan nog niet kunnen bevatten, maar die we later steeds beter gaan begrijpen, omdat ons geloof steeds sterker wordt, niet doordat mensen, maar doordat God zelf in ons onze geest versterkt en verlicht?’3

Dit zijn óók woorden van Augustinus. En iedereen kan hieruit opmaken dat het niet de bedoeling van deze heilige man was om ons geloof in de Schrift afhankelijk te maken van het willekeurige oordeel van de kerk. Hij wilde alleen maar dezelfde waarheid doorgeven als ik: mensen die nog niet door Gods Geest verlicht worden, worden er door eerbied voor de kerk toe gebracht om het geloof in Christus uit het evangelie te willen leren. Op die manier vormt het gezag van de kerk een soort introductie. Het bereidt ons erop voor om het evangelie te geloven. Want we zullen zien dat hij de zekerheid van de vromen op een heel ander fundament wil laten rusten.

Aan de andere kant ontken ik niet dat hij de manicheeërs vaak tegenwerpt dat heel de kerk het eens is. Ook op die manier wil hij bewijzen dat de Schrift, die zij verwerpen, waar is. Vandaar dat hij Faustus verwijt dat die zich niet onderwerpt aan de waarheid van het evangelie, terwijl dat evangelie zo’n sterk fundament heeft, zo stevig verankerd is, zo’n goede naam heeft en sinds de tijd van de apostelen ononderbroken is aanbevolen.4

Maar nergens wil hij leren dat het gezag dat wij aan de Schrift toekennen, afhangt van wat mensen bepalen of besluiten. Hij voert gewoon een argument aan dat in deze zaak heel veel overtuigingskracht heeft. Want als het om het oordeel van de kerk ging, stond hij sterker dan zijn tegenstanders.

Als iemand hier een completer bewijs van verlangt, dan moet hij maar Augustinus’ geschift Over het nut van geloven5 lezen. Dan zal hij ontdekken dat Augustinus geloven zelf niet gemakkelijker wil maken, maar alleen de toegang tot geloven. Hij wil een geschikt beginpunt voor het onderzoek, zoals hij zelf zegt. Maar we moeten onze rust niet zoeken in een mening. We moeten steunen op de zekere en betrouwbare waarheid.

1Mani ( 274).

2Augustinus, Contra epistulam fundamenti, 5.

3Augustinus, Contra epistulam fundamenti, 14.

4Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XXXII.

5Augustinus, De utilitate credendi.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.