1.17.10 – Zonder Gods voorzienigheid zouden we verschrikkelijk bang zijn

0
308

Hierin wordt zichtbaar hoe weergaloos gelukkig je bent als je een vroom hart hebt. Ontelbaar veel rampen bedreigen het leven van mensen. Op talloos veel manieren loert de dood. We hoeven alleen maar naar onszelf te kijken. Het lichaam is een vergaarbak van duizend ziekten. Het lichaam zelf bevat de ziektekiemen en koestert ze. De mens kan zich niet bewegen zonder zijn bederf in allerlei vormen met zich mee te dragen. Hij leidt een leven dat in zekere zin verweven is met de dood. Want wat kunnen we anders zeggen? We kunnen nog niet eens rillen of zweten zonder gevaar!

Bovendien, waar je ook gaat, je kunt niets vertrouwen van wat je omringt. Alles bedreigt je bijna openlijk en het lijkt wel of het je het liefst ogenblikkelijk wil ombrengen. Klim aan boord van een schip en je bent maar één stap verwijderd van de dood. Stijg te paard en zodra er één been wegglijdt, komt je leven in gevaar. Wandel door de straten van de stad en je staat bloot aan evenveel gevaren als er pannen op de daken liggen. Als jij of je vriend een ijzeren voorwerp in handen heeft, kun je elk moment gewond raken. Alle wilde dieren die je ziet, kunnen je ondergang betekenen. Je kunt je best doen om jezelf op te sluiten in een goed omheinde tuin, die een en al lieflijkheid lijkt. Maar soms houdt zich daar een slang schuil. Je huis loopt voortdurend gevaar om af te branden. Overdag dreigt daardoor de armoede, ’s nachts zelfs de verstikkingsdood. Je akker staat bloot aan hagel, rijp, droogte en andere schadelijke invloeden van het weer. Daardoor dreigt een mislukte oogst en als gevolg daarvan hongersnood.

Ik heb het nu nog niet eens over vergif, overvallen, struikrovers en openlijke gewelddadigheden die je voor een deel thuis omringen en voor een deel onderweg vergezellen. Moet een mens tussen al die enge dingen niet heel ellendig zijn? Tijdens zijn leven ademt hij angstig en beklemd, alsof hij al halfdood is, alsof er voortdurend een zwaard dreigend boven zijn hals hangt.

Je zult zeggen dat al die dingen maar zelden gebeuren. Het gebeurt in elk geval niet voortdurend, het overkomt niet iedereen en het gebeurt zeker niet allemaal tegelijk. Dat geef ik toe. Maar het voorbeeld van anderen herinnert ons er natuurlijk aan dat het ook ons overkomen kán. Ons leven hoeft niet uitzonderlijker te zijn dan dat van hen. Dus kan het niet anders of we zijn bang dat het ons overkomen zál. En wat kun je bedenken dat ellendiger is dan deze angst?

Daar komt bij dat het niet vrij van godslastering is als je zegt dat God de mens, het edelste schepsel, heeft blootgesteld aan alle mogelijke blinde en doelloze klappen van het toeval. Maar het is mijn bedoeling om het hier alleen te hebben over de ellende die je als mens zult voelen als je geplaatst wordt onder het gezag van het toeval.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in