1.16.9 – Wat God doet, ervaren wij als toeval

0
167

Wij zijn echter traag van begrip en blijven ver beneden de hoogte van Gods voorzienigheid. Daarom moeten we gebruik maken van een onderscheid dat ons hoger kan brengen. Laat ik dus dit zeggen: al wordt alles door God volgens een vastgesteld plan bestuurd, toch gebeurt alles voor ons toevallig. Ik bedoel niet dat het toeval regeert over de wereld en over de mensen en dat alles willekeurig op en neer gaat. Van die waanzin moet het hart van een christen ver verwijderd blijven. Maar de orde, de reden, het doel en de noodzaak van alles wat er gebeurt, blijft meestal verborgen in Gods plan. Mensen kunnen het met hun verstand niet bevatten. Daarom lijkt het net alsof de dingen die vast en zeker voortkomen uit Gods wil, toevallig zijn. Want of je die dingen nu opvat zoals ze werkelijk zijn, of dat je ze inschat volgens onze beperkte kennis en inzicht, ze zien er hetzelfde uit.

Stel, bijvoorbeeld, dat een koopman het bos binnentrekt in gezelschap van betrouwbare mensen. Hij is onvoorzichtig en dwaalt weg van mijn metgezellen. Hij raakt verdwaald en komt in een rovershol terecht. Hij valt in handen van moordenaars en wordt gedood. God heeft zijn dood niet alleen van tevoren gezien. Hij heeft zelfs tot zijn dood besloten. Want er staat niet dat God van tevoren gezien heeft hoelang ieders leven duurt. Er staat dat Hij de grenzen bepaalt en dat wij die niet kunnen overschrijden.1 Maar voorzover wij het met ons verstand kunnen begrijpen, lijkt in dit voorbeeld alles toevallig.

Wat zal een christen hiervan denken? Hij zal vinden dat alles wat er bij zo’n sterfgeval gebeurt, op zichzelf toevallig is. En dat is het ook. Maar hij zal er niet aan twijfelen dat het toeval onder het bevel stond van Gods voorzienigheid. Gods voorzienigheid leidde het tot het juiste doel.

Met toekomstige gebeurtenissen zit het net zo. Alle dingen in de toekomst zijn voor ons onzeker. Daarom blijven we in spanning afwachten, alsof het nog beide kanten op kan gaan. Maar toch blijft in ons hart de vaste overtuiging dat er niets zal gebeuren zonder dat God het al voorzien heeft.

In die betekenis wordt in het boek Prediker vaak het woord ‘lot’ gebruikt.2 Want op het eerste gezicht dringen de mensen niet door tot de eerste oorzaak. Die ligt diep verborgen. Maar wat de Schrift openbaart over Gods verborgen voorzienigheid is toch nooit helemaal uit het hart van de mensen uitgewist. Er glinsteren in het donker altijd nog wel een paar vonkjes.

De waarzeggers van de Filistijnen aarzelden en twijfelden. Toch schreven ze hun tegenspoed gedeeltelijk aan God en gedeeltelijk aan het toeval toe. ‘Als de ark,’ zeggen ze, ‘langs die weg gaat, zullen we weten dat God ons geslagen heeft. Maar als de ark langs de andere weg gaat, dan is het ons toevallig overkomen.’3 Voor het geval dat ze het met hun waarzeggerij mis zouden hebben, zijn ze zo dom hun toevlucht te nemen tot het toeval. Maar ondertussen zien we wel dat ze zo in het nauw zitten, dat ze het ongeluk dat hun is overkomen niet toevallig durven noemen.

Verder blijkt uit een bijzonder voorbeeld dat God door de teugel van zijn voorzienigheid elke gebeurtenis stuurt in de richting die Hij wil. Kijk maar eens: precies op het moment dat David in de woestijn van Maon in de val zit, doen de Filistijnen een inval in het land. Saul is gedwongen om weg te trekken.4 God wilde ervoor zorgen dat zijn knecht gered werd. Daarom wierp Hij Saul deze hindernis voor de voeten. Weliswaar grepen de Filistijnen plotseling naar de wapens. Geen mens verwachtte dat. Maar we zullen toch vast niet zeggen dat dit toevallig gebeurd is. We zullen gelovig erkennen dat het wel toevallig lijkt, maar dat de Filistijnen er in het verborgen door God toe werden aangezet.

Er valt niet altijd een vergelijkbare reden aan te wijzen. Maar we mogen er niet aan twijfelen dat alle veranderingen die we in de wereld kunnen onderscheiden, voortkomen uit wat God in het verborgen doet. Ondertussen moet het wel zo zijn dat wat God heeft bepaald, gebeurt zonder dat het in absolute zin of van nature onontkoombaar is.

Een bekend voorbeeld daarvan zien we in de botten van Christus. Geen verstandig mens zal ontkennen dat zijn botten breekbaar waren. Hij had immers een lichaam aangenomen dat gelijk was aan dat van ons. Toch was het onmogelijk dat zijn botten gebroken werden.5 Opnieuw zien we dus dat in de scholen niet voor niets een onderscheid is bedacht tussen relatieve en absolute noodzakelijkheid. En dat geldt ook voor het onderscheid tussen iets dat een logische consequentie is van iets anders en iets dat alleen maar toevallig op iets anders volgt. Want God heeft de botten van zijn Zoon zo gemaakt dat ze konden breken. Maar toch zorgde Hij er voor dat ze nooit zouden breken. Dus wat van nature had kunnen gebeuren, heeft God ingeperkt tot wat noodzakelijk was voor zijn plan.

1Job 14:5

2Prediker 2:14-15

31 Samuël 6:9

41 Samuël 23:24-28

5Johannes 19:31-36

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in