1.16.8 – Toeval bestaat niet

Mensen die deze leer in een kwaad daglicht willen stellen, lasteren dat dit hetzelfde is als wat de stoïcijnen leerden over het noodlot. Ook Augustinus heeft dat verwijt wel eens gekregen.1 Ik ga niet graag in discussie over een woord, maar het woord ‘noodlot’ accepteer ik niet. Aan de ene kant omdat dit een nieuw woord is van het goddeloze soort dat we volgens Paulus moeten vermijden. 1 Timotheüs 6:20 En aan de andere kant omdat het woord een negatieve klank heeft waar deze mensen Gods waarheid mee proberen te belasten.

Echter, het is onterecht en heel gemeen dat ze deze leer tegen mij aanvoeren. De stoïcijnen bedachten een keten van onvermijdelijke oorzaken en gevolgen die elkaar in de natuur continu opvolgen. Maar ik doe dat niet. Volgens mij is God rechter en bestuurder van alles. In zijn wijsheid heeft Hij vanuit zijn eeuwigheid lang van tevoren besloten wat Hij zou doen en nu voert Hij uit wat Hij besloten heeft. En daarom beweer ik dat niet alleen de hemel en de aarde en de niet-ademende schepselen door zijn voorzienigheid bestuurd worden. Ook de plannen en de wil van de mensen worden door zijn voorzienigheid bestuurd. Daardoor gaan de mensen recht op het doel af dat God in zijn voorzienigheid bepaald heeft.

‘Wat nu?’ zul je zeggen. ‘Gebeurt er dan niets toevallig of zomaar?’ Mijn antwoord is dat Basilius de Grote terecht gezegd heeft dat ‘toeval’ en ‘pech’ heidense woorden zijn. Vrome mensen moeten daar geen waarde aan hechten. Want als alle voorspoed een zegen van God is en rampen en tegenslagen zijn vloek, dan blijft er in het dagelijks leven van mensen geen ruimte meer over voor dingen als toeval en pech.

Ook moeten deze woorden van Augustinus ons iets doen: ‘Ik vind het jammer,’ zegt hij, ‘dat ik in mijn boeken Tegen de academici zo vaak het woord fortuna – “geluk” of “toeval” – gebruikt heb. Ik heb daar niet de godin Fortuna mee bedoeld, maar een toevallige samenloop van omstandigheden in uiterlijke voorspoed of tegenspoed. Van het woord fortuna zijn ook woorden afgeleid die we zonder bezwaar mogen gebruiken, zoals forte, forsan, forsitan, fortasse en fortuito – “toevallig”, “misschien”, “wellicht”, “mogelijk”, “gelukkig”. Maar we moeten dat wel altijd in verband brengen met Gods voorzienigheid. Dat heb ik ook niet verzwegen. Ik heb immers gezegd: misschien wordt wat wij meestal toeval noemen ook door een onbekende orde geregeld. Als wij iets toevallig noemen, is dat misschien alleen maar omdat de reden of oorzaak voor ons verborgen is. Zo heb ik het gezegd. Toch spijt het me dat ik daar het toeval genoemd heb. Want ik merk dat mensen de slechte gewoonte hebben om in plaats van: “God heeft het zo gewild,” te zeggen: “Het toeval heeft het zo gewild.”’2

Kortom, Augustinus leert op veel plaatsen dat als we ook maar een beetje ruimte laten voor toeval, de aarde maar wat doelloos ronddraait. Ergens omschrijft hij het zo: alles gebeurt gedeeltelijk door de vrije wil van de mens en gedeeltelijk door Gods voorzienigheid. Maar een klein stukje verder laat hij duidelijk zien dat mensen onderworpen zijn aan de voorzienigheid. Ze worden door de voorzienigheid bestuurd. En hij gaat uit van het principe dat het wel heel absurd zou zijn als er iets zou gebeuren zonder dat God het bevolen heeft. Want dan zou het gebeuren zonder dat het een doel heeft.3 Daarom sluit hij ook uit dat er iets kan gebeuren dat alleen van het oordeel van mensen afhangt. En even later doet hij dat nog duidelijker, want hij zegt dat je niet mag zoeken naar de reden waarom God iets wil.

Augustinus noemt ook dat God dingen toelaat. Hoe we dat moeten opvatten, blijkt het duidelijkst uit een passage waarin hij bewijst dat Gods wil de hoogste en eerste oorzaak van alles is. Want er gebeurt niets zonder dat God het beveelt of toelaat. Hij stelt het zich dan zeker niet zo voor dat God op een rustig plekje passief zit toe te kijken. Als Hij iets wil toelaten, komt zijn wil, zeg maar, actief tussenbeide. Want anders zouden we Gods wil niet als oorzaak kunnen beschouwen.

1Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium II, 6.

2Augustinus, Retractiones I, 1.

3Augustinus, De diversis quaestionibus, 28; Augustinus, De trinitate III, 4,9.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.