Insitutie Boek 1 – God als schepper 1.16 – Gods voorzienigheid 1.16.3 – Er gebeurt niets zonder dat God daartoe besloten heeft

1.16.3 – Er gebeurt niets zonder dat God daartoe besloten heeft

En inderdaad zegt God van zichzelf dat Hij almachtig is. Hij wil ook dat wij erkennen dat Hij dat is. Niet almachtig op de manier waarop de sofisten zich dat voorstellen: leeg, passief en bijna ingedut. Maar waakzaam, doeltreffend, bedrijvig en voortdurend actief bezig. En zijn almacht is ook niet alleen maar het eerste begin van een eenmaal ingezette beweging, alsof Hij een rivier opdracht gaf om te gaan stromen door een eenmaal van tevoren vastgestelde bedding. In zijn almacht let Hij op elke beweging afzonderlijk. Want God heet niet almachtig omdat Hij wel alles kán doen, maar toch nu en dan rust neemt en passief blijft. En ook niet omdat Hij de orde die Hij in de natuur gelegd heeft door een algemene aandrijving in stand houdt. Hij heet almachtig omdat Hij door zijn voorzienigheid hemel en aarde bestuurt. Omdat Hij alles zo leidt dat er niets gebeurt buiten zijn plan om.

In Psalm 115 wordt gezegd dat God doet wat Hem behaagt. Psalm 115:3 Dat duidt op een vast en weloverwogen wilsbesluit. Want het zou dwaas zijn om de woorden van de profeet uit te leggen zoals de filosofen dat zouden doen: dat God de eerste is die handelt, omdat Hij het begin en de oorzaak van elke beweging is. Het is bij tegenslag voor gelovigen juist een troost dat ze niets lijden dat niet door God bepaald en bevolen is. Ze zijn dus in zijn hand.

Als Gods leiding alles omvat wat Hij gemaakt heeft, dan is het dus kinderachtige spot om zijn leiding te beperken tot het in gang zetten van de natuur. Je berooft God van zijn eer en jezelf van een heel nuttig leerstuk als je Gods voorzienigheid binnen zulke krappe grenzen opsluit. Alsof God met zijn voorzienigheid gewoon alles op zijn beloop laat, volgens de eeuwige wetten van de natuur. Want er zou niets zo ellendig zijn als een mens, als hij zou blootstaan aan elke willekeurige beweging van hemel, lucht, aarde of water.

Bovendien kleineren we zo op een ongepaste manier Gods speciale goedheid tegenover iedereen. David roept uit dat kinderen die nog aan de borst van hun moeder liggen al heel welsprekend Gods glorie kunnen verkondigen. Psalm 8:3 Dat kunnen ze omdat ze meteen nadat ze uit de moederschoot tevoorschijn gekomen zijn, voedsel vinden dat God met zijn hemelse zorg voor hen bereid heeft. In z’n algemeenheid klopt dat. Maar het mag de waarneming van onze ogen niet ontgaan dat de ervaring duidelijk leert dat sommige moeders volle borsten hebben, terwijl die van andere moeders vrijwel droog staan. God wil de een overvloediger voeden en een ander kariger.

Maar als je Gods almacht de lof wilt toekennen die zij hoort te krijgen, leer je hieruit twee dingen. In de eerste plaats dat God ruim voldoende macht heeft om goed te doen. Hij heeft hemel en aarde in bezit. Alle schepselen zijn gespitst op een wenk van Hem, om Hem van dienst te zijn. In de tweede plaats dat je onbekommerd rust kunt vinden in zijn bescherming. Alle rampen zijn aan Hem onderworpen, van welke kant die ook kunnen komen en waar je ook maar bang voor kunt zijn. Zijn bevel houdt Satan in toom, met al zijn hellegeesten en met heel zijn uitrusting. Alles wat tegen ons welzijn ingaat, gehoorzaamt elke wenk van God.

Dit is de enige manier om onze buitensporige en bijgelovige angst te verdrijven of tot bedaren te brengen. Soms grijpt die angst ons aan als we op gevaar stuiten. Ik noem het een bijgelovige angst als we doodsbang worden, telkens als schepselen ons bedreigen of ons aan het schrikken maken. Alsof die schepselen uit zichzelf de kracht of de mogelijkheid zouden hebben om ons schade toe te brengen! Alsof ze ons zomaar toevallig konden deren! Alsof daartegen niet genoeg hulp beschikbaar is in God!

De profeet Jeremia verbiedt Gods kinderen bijvoorbeeld om bang te zijn voor sterren en tekenen aan de hemel. Ongelovigen zijn daar wel bang voor. Jeremia 10:2 Zeker, hij veroordeelt niet elke vorm van angst. Maar ongelovigen dragen aan de sterren het bestuur over Gods wereld op. Zij beelden zich in dat hun geluk of ongeluk afhangt van de besluiten en voorspellingen van de sterren en niet van de wil van God. Op die manier vrezen ze niet meer de enige die ze horen te vrezen. In plaats van Hem vrezen ze de sterren en kometen.

Als je jezelf wilt beschermen tegen dat ongeloof, moet je steeds in gedachten houden dat schepselen nooit iets kunnen doen als gevolg van stom toeval. Ze worden bestuurd door een verborgen plan van God. Er gebeurt nooit iets dat Hij niet zelf uitdrukkelijk besloten heeft.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.