1.15.7 – De ziel bestaat uit het verstand en de wil

0
868

We zijn gedwongen een beetje af te wijken van deze zienswijze. Want de filosofen wisten niet hoe bedorven onze natuur als gevolg van de val is. Daarom halen ze de twee verschillende toestanden van de mens – vóór en na de val – door elkaar. Laten we het er dus op houden dat de menselijke ziel bestaat uit twee delen, die passen bij de tegenwoordige toestand: het verstand en de wil. De taak van het verstand is om bij alles wat het tegenkomt onderscheid te maken tussen wat goed- of afgekeurd lijkt te moeten worden. De taak van de wil is om te kiezen voor wat volgens het verstand goed is en dat na te streven. En om af te zien van wat het verstand heeft afgekeurd en daar ver vandaan te vluchten.1

We moeten ons niet laten ophouden door de pietluttigheden van Aristoteles. Hij zegt dat het verstand op zichzelf ons niet in beweging brengt. Het maken van een keuze brengt ons in beweging. En dat kiezen noemt hij ook wel het begerend verstand. Maar om te voorkomen dat we verstrikt raken in overbodige kwesties, moet het voor ons genoeg zijn dat het verstand als het ware de leider van de ziel is en dat de wil altijd gespitst is op de aanwijzingen van het verstand en als het zelf iets verlangt, altijd afwacht wat het verstand daarvan vindt.

Dezelfde Aristoteles heeft daarom gelijk als hij leert dat in je begeerte ergens van afzien of iets nastreven vergelijkbaar is met iets bevestigen of ontkennen met je verstand.2 Hoe stevig het verstand leiding geeft aan de wil zullen we ergens anders zien. Hier wil ik alleen maar zeggen dat er in de ziel geen kracht te vinden is die niet tot één van deze beide delen kan worden gereduceerd. Op die manier schaar ik de zinnen onder het verstand. Maar anderen maken het onderscheid anders. Volgens hen neigen de zinnen naar genot, terwijl het verstand in plaats van genot het goede volgt. En zo ontstaan uit zinnelijke begeerte hartstocht en wellust en ontstaat uit de voorkeuren van het verstand de wil. Maar ik gebruik het woord ‘wil’ in plaats van het woord ‘begeerte’, waar zij de voorkeur aan geven. Want ‘wil’ is een gewoner woord.

1Plato, Phaidros, 253.

2Aristoteles, Ethica Nicomachea VI, 2.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in