Insitutie Boek 1 – God als schepper 1.15 – De schepping van de mens 1.15.2 – De mens bestaat uit een ziel en een lichaam

1.15.2 – De mens bestaat uit een ziel en een lichaam

Verder mag er geen verschil van mening over bestaan dat de mens bestaat uit een ziel en een lichaam. Onder het woord ‘ziel’ versta ik een onsterfelijk maar toch geschapen wezen. Het is het edelste deel van de mens. Soms wordt het ‘geest’ genoemd. Als deze woorden samen genoemd worden, verschillen ze van elkaar in betekenis. Maar als het afzonderlijk gebruikt wordt, betekent het woord ‘geest’ hetzelfde als ‘ziel’. Als Salomo het over de dood heeft, zegt hij dat de geest terugkeert naar God die hem gegeven heeft. Prediker 12:7 Christus beveelt zijn geest in de handen van de Vader Lucas 23:46 en ook Stefanus beveelt zijn geest in de handen van Christus. Handelingen 7:59 Daarmee bedoelen ze niets anders dan dat de ziel bevrijd wordt uit de gevangenis van het lichaam en daarna bij God bewaard blijft.

Maar er zijn mensen die zich inbeelden dat de ziel geest genoemd wordt, omdat de ziel een adem of een kracht is die God in het lichaam heeft ingegoten, maar dat de ziel niet zelf een wezen heeft. Maar zij zitten er helemaal naast. Dat blijkt wel uit de ziel zelf en ook uit heel de Schrift.

Het is waar dat mensen veel te veel gehecht zijn aan de aarde. Daardoor raken ze afgestompt, van de Vader van de hemellichten Jacobus 1:17 vervreemd en door duisternis verblind. Ze denken er niet meer aan dat ze na hun dood blijven voortleven. Maar ondertussen is in die duisternis het licht nog niet zover uitgedoofd dat ze niet meer geraakt worden door het besef van hun onsterfelijkheid. Echt, het geweten maakt onderscheid tussen goed en kwaad en reageert op Gods oordeel. Dat is dus een duidelijk teken dat de geest onsterfelijk is. Want hoe zou een gemoedsbeweging die zelf geen wezen heeft, kunnen doordringen tot Gods rechterstoel en zichzelf beschuldigen en angst aanjagen? Immers, het lichaam heeft geen last van angst voor een geestelijke straf. Die straf raakt alleen de ziel. Dat betekent dus dat de ziel een wezen heeft.

Ook alleen al het kennen van God levert voldoende bewijs dat zielen onsterfelijk zijn. Ze stijgen boven de wereld uit. Maar een voorbijgaande kracht zou niet kunnen doordringen tot de bron van het leven.

Ten slotte, de menselijke ziel blinkt uit door al die schitterende gaven. Die roepen het uit: in de ziel staat iets goddelijks gegrift. Daarmee vormen die gaven evenveel bewijzen dat het wezen van de ziel onsterfelijk is. Want de redeloze dieren hebben geen besef dat verder reikt dan hun lichaam, of in elk geval reikt het niet verder dan de dingen die ze tegenkomen. Maar de menselijke ziel is zo flexibel dat ze hemel en aarde en de geheimen van de natuur onderzoekt. Ze begrijpt en herinnert zich alle tijden. Ze brengt orde aan door alle dingen hun eigen plaats te wijzen. En ze kan de toekomst inschatten op basis van het verleden. Dat toont duidelijk aan dat er in de mens iets schuilt dat los staat van het lichaam. Met ons verstand zijn we ons bewust van de onzichtbare God en van engelen. Het lichaam is daar absoluut niet toe in staat. We beseffen wat juist, rechtvaardig en eerlijk is. Maar onze zintuigen ontgaat dat. Dus moet de geest de plek zijn waar dat inzicht huist. Ja, zelfs de slaap bewijst duidelijk dat de ziel onsterfelijk is. Als hij slaapt, is de mens bewusteloos. Hij lijkt van het leven beroofd. Maar dan ziet hij in gedachten dingen die nooit gebeurd zijn en zelfs voorzeggingen van de toekomst.

Ik stip maar kort aan wat ook door heidense schrijvers met veel mooiere woorden wordt opgehemeld. Voor vrome lezers zal het wel genoeg zijn dat ik het op een eenvoudige manier opgenoemd heb.

Nu dan, als de ziel niet iets wezenlijks was, apart van het lichaam, dan zou de Schrift niet leren dat we in een lemen huis wonen en als we sterven uit de tabernakel van het vlees verhuizen. Dan trekken we het vergankelijke uit. En op de laatste dag krijgen we ons loon, ieder in overeenstemming met hoe hij zich gedragen heeft in het lichaam. Zulke passages kun je overal vinden. Vast en zeker wordt de ziel daar niet alleen duidelijk onderscheiden van het lichaam. Ook wordt daarin de benaming ‘mens’ gebruikt voor de ziel. Dat geeft aan dat de ziel het belangrijkste deel is.

Bovendien waarschuwt Paulus de gelovigen dat ze zich moeten reinigen van alles wat het lichaam en de geest besmet heeft. 2 Korinthiërs 7:1 Dan noemt hij dus twee delen waarin de vuilheid van de zonde huist.

En Petrus noemt Christus de herder en opziener over de zielen. 1 Petrus 2:25 Dat zou een verkeerde uitspraak van hem zijn als er helemaal geen zielen zouden bestaan waarover Christus deze taak zou vervullen. En wat hij zegt over het eeuwige leven van de zielen, 1 Petrus 1:9 zou ook geen zin hebben. Of dat hij beveelt dat we onze ziel moeten reinigen en dat onze slechte begeerten strijden tegen de ziel. 1 Petrus 2:11 En ook niet dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt dat de herders waken, omdat ze rekenschap moeten afleggen over onze zielen. Hebreeën 13:17 Dat zou allemaal geen zin hebben als de ziel niet zelf een wezen had.

Paulus roept God aan als getuige over zijn ziel. 2 Korinthiërs 1:23 Ook dat wijst erop dat de ziel zelf een wezen heeft. Want de ziel zou niet als beklaagde voor God staan, als de ziel niet gestraft kon worden. En dat wordt nog duidelijker uitgedrukt in de woorden van Christus, als Hij beveelt Hem te vrezen die eerst het lichaam doodt en dan de ziel het hellevuur in stuurt. Mattheüs 10:28; Lucas 12:5

Verder maakt de schrijver van de brief aan de Hebreeën onderscheid tussen onze lichamelijke vaders en God. God alleen is onze geestelijke vader. Duidelijker kon de schrijver niet bevestigen dat de ziel een wezen heeft. Bovendien, als zielen niet bleven voortleven nadat ze uit de gevangenis van het lichaam bevrijd zijn, zou absurd zijn wat Christus vertelt: de ziel van Lazarus genoot van de vreugde in Abrahams schoot, terwijl aan de andere kant de ziel van de rijke man veroordeeld was tot verschrikkelijke kwellingen. Lucas 16:22-23 Paulus bevestigt dat ook. Hij leert dat wij niet bij God wonen zolang we in ons lichaam wonen. Maar buiten ons lichaam genieten we van Gods aanwezigheid. 2 Korinthiërs 5:6-8 En om niet te lang te blijven hangen bij een onderwerp dat helemaal niet zo onduidelijk is, wil ik alleen dit nog toevoegen van Lucas: onder de dwalingen van de sadduceeën noemt hij ook dat ze niet in geesten en engelen geloofden. Handelingen 23:8

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.