1.13.27 – Irenaeus’ opvattingen over het God zijn van Christus

0
271

Mijn tegenstanders verzamelen veel passages uit Ireneüs. In die passages beweert hij dat de Vader van Christus de enige en eeuwige God van Israël is. Maar dat ze deze passages aanhalen, laat zien dat ze óf schandelijk onwetend, óf heel erg brutaal zijn. Want ze hadden erop moeten letten dat die heilige man in zijn strijd te maken had met dwazen die ontkenden dat de Vader van Christus dezelfde God was die vroeger door Mozes en de profeten gesproken had. Volgens hen was de laatste een ik weet niet wat voor schim die was voortgekomen uit de val van de wereld. Daarom is Ireneüs maar met een ding bezig: duidelijk maken dat er in de Schrift niet over een andere God wordt gesproken dan de Vader van Christus en dat het verkeerd is om een andere God te bedenken. Daarom is het helemaal geen wonder dat hij zo vaak concludeert dat de God van Israël niemand anders is dan de God die door Christus en de apostelen werd verkondigd.

Zo spreek ik ook nu de waarheid – ook al bestrijd ik een heel andere dwaling – als ik zeg dat de God die vroeger aan de aartsvaders is verschenen, niemand anders is dan Christus. En als iemand hiertegen inbrengt dat het de Vader is, dan heb ik mijn antwoord klaar: als ik ervoor opkom dat de Zoon God is, sluit ik daarmee de Vader zeker niet uit.

Als de lezers erop letten dat Ireneüs het zo bedoelde, dan zal deze discussie vanzelf ophouden. Op grond van hoofdstuk 6 van boek 3 kan heel het meningsverschil gemakkelijk beslecht worden. Daar stelt de vrome man zich op dit ene standpunt: degene die in de Schrift in absolute zin en zonder specificering God genoemd wordt, is de enige ware God en Christus wordt in absolute zin God genoemd.1 We moeten bedenken dat dat het punt was waar het debat om draaide. Dat blijkt uit het geheel van zijn argumentatie, vooral in hoofdstuk 46 van boek 2. Daar zegt Ireneüs dat niet iemand anders Vader genoemd wordt – niet op een raadselachtige manier en niet bij wijze van vergelijking – dan degene die echt God is.2

Bovendien stelt Ireneüs ergens anders dat de Zoon en de Vader samen God genoemd zijn door de profeten en de apostelen.3 Daarna beschrijft hij hoe Christus heer, koning, God en rechter is van alle dingen en hoe Hij die macht gekregen heeft van degene die de God is van alle dingen. Want God sloeg er acht op dat Christus zich onderwierp en zich vernederde, zelfs tot dood aan het kruis toe.4 Even later verzekert Ireneüs dat de Zoon de schepper is van hemel en aarde, dat Hij de wet gegeven heeft door de hand van Mozes en dat Hij aan de aartsvaders verschenen is.5

Als er nu nog iemand kletst dat voor Ireneüs alleen de Vader de God van Israël is, dan breng ik daartegen in dat dezelfde schrijver openlijk verklaart dat Christus precies dezelfde is. Daarom laat hij ook deze profetie van Habakuk op Christus slaan: ‘God zal komen uit het zuiden.’6 Wat je in hoofdstuk 9 van boek 4 leest, komt op hetzelfde neer: ‘Christus is dus zelf, samen met de Vader, de God van de levenden.’7 En in hoofdstuk 12 van hetzelfde boek verklaart hij dat Abraham in God geloofd heeft omdat de schepper van hemel en aarde en de enige God Christus is.8

1Ireneüs, Adversus haereses III, 6,1

2Ireneüs, Adversus haereses II, 27,2

3Ireneüs, Adversus haereses III, 9,1

4Ireneüs, Adversus haereses III, 12,13

5Ireneüs, Adversus haereses III, 15,3

6Habakuk 3:3; Ireneüs, Adversus haereses III, 20,4

7Ireneüs, Adversus haereses IV, 5,2

8Ireneüs, Adversus haereses IV, 5,5

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in