Insitutie Boek 1 – God als schepper 1.13 – De drie-eenheid 1.13.23 – De Zoon en de Geest zijn niet minder God dan de Vader

1.13.23 – De Zoon en de Geest zijn niet minder God dan de Vader

Uit dit moeras is een ander monster voortgekomen, dat er maar weinig van verschilt. Sommige nietsnutten wilden voorkomen dat ze hetzelfde verwijt zouden krijgen als Servet met zijn goddeloosheid en dat dezelfde schande hen zou treffen. Daarom gaven ze toe dat er drie personen zijn. Maar ze voegden daar deze redenering aan toe: eigenlijk is de Vader de enige echte God. Hij heeft de Zoon en de Geest gemaakt en zo zijn God zijn in Hen overgegoten. En ze deinzen er niet voor terug om zoiets afschuwelijks te beweren als dit: het enige kenmerk dat de Vader onderscheid van de Zoon en de Geest is dat Hij degene is die Hen Gods wezen gegeven heeft.

Ze kleden dit heel mooi in met het argument dat Christus overal Gods Zoon genoemd wordt. Daaruit concluderen ze dat eigenlijk alleen de Vader God is. Inderdaad wordt de naam ‘God’ soms inderdaad bij uitstek aan de Vader toegeschreven – hoewel ook de Zoon in die naam deelt – omdat de Vader de bron en het begin van het God zijn is. Maar ze zien niet dat dat gebeurt met de bedoeling de absolute eenheid van Gods wezen aan te duiden.

Hun verweer hiertegen is dat als Christus echt de Zoon van God is, het absurd is om Hem te beschouwen als de Zoon van een persoon. Mijn reactie is dan dat het allebei waar is. Hij is de Zoon van God omdat Hij – ik heb het nu nog niet over de persoon van de middelaar – het Woord is dat voor het begin van de tijd door de Vader is voortgebracht. 1 Korinthiërs 2:7 Als we dit uitleggen, moeten we toch redeneren vanuit de persoon. We moeten niet simpelweg de naam ‘God’ gebruiken, maar in plaats daarvan spreken van de Vader. Want als we vinden dat God alleen de Vader is, is het duidelijk dat we de Zoon beroven van die rang.

Daarom mogen we, als we het hebben over Gods wezen, dus geen tegenstelling laten bestaan tussen de Zoon en de Vader, alsof eigenlijk alleen de Vader recht heeft op de naam ‘God’. Want de God die aan Jesaja verscheen, was echt de enige echte God. En toch verzekert Johannes dat die God Christus was. Jesaja 6:1; Johannes 12:41 Het was ook de enige God die door de mond van Jesaja getuigde dat Hij voor de Joden een steen des aanstoots zou zijn. En Paulus verklaart dat dat Christus was. Jesaja 8:14; Romeinen 9:33 Als God via Jesaja roept: ‘Zo waar ik leef, voor Mij zal elke knie zich buigen,’ dan is het de enige God die dit roept. En toch past dezelfde Paulus dit toe op Christus. Jesaja 45:23; Romeinen 14:11

Daar komt nog bij dat de apostel deze Schriftbewijzen aanhaalt: ‘U, Heer, hebt de aarde gefundeerd,’ Hebreeën 1:10; Psalm 102:26 en: ‘Al Gods engelen moeten Hem aanbidden.’ Hebreeën 1:6; Psalm 97:7 Deze Schriftbewijzen kunnen alleen maar slaan op de enige God. Maar de apostel beweert dat het lofprijzingen zijn waar Christus zelf recht op heeft. En het heeft geen enkele zin om te beweren dat de eer waar God recht op heeft alleen maar op Christus wordt overgebracht omdat in Hem Gods glorie straalt. Want als ergens de naam Jehova staat, dan betekent dat altijd dat Hij uit zichzelf God is. En als Christus Jehova is, dan kan niet ontkent worden dat Hij dezelfde God is die ergens anders via Jesaja uitroept: ‘Ik, Ik ben en buiten Mij is er geen God.’ Jesaja 44:6

Ook is het goed om deze woorden van Jeremia te overwegen: ‘De goden die niet de hemel en de aarde gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde die onder de hemel is.’ Jeremia 10:11 Maar in tegenstelling tot deze goden vergaat de Zoon van God niet. Op grond hiervan moeten we dus toegeven dat Hij degene is van wie bij Jesaja meerdere keren bewezen wordt dat Hij God is omdat Hij de wereld geschapen heeft. En als Hij als schepper alles gemaakt heeft, hoe kan Hij dan niet uit zichzelf zijn, maar zijn wezen gekregen hebben van iemand anders? Want als je zegt dat de Zoon zijn wezen gekregen heeft van de Vader, dan ontken je dat de Zoon uit zichzelf is. Maar de Heilige Geest gaat daartegen in en noemt Hem Jehova.

Bovendien, als we zouden toegeven dat alleen de Vader heel Gods wezen heeft, dan betekent dat óf dat het wezen verdeeld kan worden, óf dat je het aan de Zoon ontneemt. En als je zo de Zoon berooft van Gods wezen, dan is Hij alleen nog in naam God. Als je die praatjesmakers moet geloven, hoort Gods wezen alleen bij de Vader. Eigenlijk is Hij alleen God, maar Hij geeft zijn wezen aan de Zoon. Op die manier is het God zijn van de Zoon iets dat als het ware gedestilleerd is uit Gods wezen, oftewel een deel dat is afgeleid van het geheel.

Op grond van dit uitgangspunt moeten ze vervolgens ook toegeven dat de Geest alleen de Geest van de Vader is. Want als Hij afgeleid is van het eerste wezen, dat alleen aan de Vader toebehoort, dan mag je Hem niet als de Geest van de Zoon beschouwen. Maar dat wordt weerlegd door het getuigenis van Paulus. Want Paulus kent de Geest toe aan Christus en de Vader samen. Romeinen 8:9

Daar komt bij, als je de persoon van de Vader uit de drie-eenheid schrapt, waarin verschilt Hij dan nog van de Zoon en de Geest? Het enige verschil is dan dat alleen de Vader God is. Maar ze geven toe dat Christus ook God is en toch beweren ze dat Hij van de Vader verschilt. Dan moet er aan beide kanten een kenmerk zijn dat onderscheid maakt. Anders is de Vader dezelfde als de Zoon. Zij zien dat onderscheid in het wezen, maar het is duidelijk dat ze daarmee het echt God zijn van Christus tenietdoen. Want Hij kan niet God zijn zonder Gods wezen te hebben en dan bedoel ik heel Gods wezen. Ongetwijfeld kan de Vader niet van de Zoon verschillen als Hij niet iets eigens in zich heeft waar de Zoon geen deel aan heeft. Wat kunnen ze bedenken om Hem te kunnen onderscheiden? Als het onderscheid in het wezen ligt, dan moeten ze eens antwoord geven op de vraag of Hij de Zoon geen deel gegeven heeft aan dat wezen. Maar dat kon onmogelijk alleen maar gedeeltelijk. Want je mag geen halfgod maken. Bovendien scheuren ze Gods wezen zo op een afschuwelijke manier uit elkaar.

Zo blijft overeind dat de Vader en de Zoon samen helemaal en volledig Gods wezen hebben. Als dit waar is, zal er inderdaad wat betreft het wezen geen enkel onderscheid zijn tussen de een en de ander. Als ze hiertegen inbrengen dat de Vader het wezen geeft en ondanks dat toch de enige God blijft en dat alleen Hij het wezen heeft – dan is Christus een afbeelding van God. Dan is Hij alleen in schijn of in naam God, maar dan is Hij het niet echt. Want niets is zo eigen aan God als wel het wezen, het zijn. Dat blijkt wel uit deze woorden: ‘Hij die is, heeft mij naar jullie gezonden.’ Exodus 3:14

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.