Insitutie Boek 1 – God als schepper 1.11 – Beeldendienst 1.11.6 – De kerkvaders keurden beelden af

1.11.6 – De kerkvaders keurden beelden af

Lees anders maar eens wat Lactantius en Eusebius1 hierover geschreven hebben. Zij aarzelen niet om aan te nemen dat je alleen maar beelden ziet van stervelingen. Ook Augustinus spreekt vrijmoedig uit dat het niet pas zonde is als je beelden aanbidt. Het is ook al zonde om ze voor God op te richten. Toch zegt hij daarmee niets anders dan wat vele jaren eerder besloten was op het concilie van Elvira (305). Artikel 36 van de besluiten van dat concilie luidt: ‘Besloten is dat er in kerken geen schilderijen mogen zijn. Niets wat we vereren of aanbidden mag op de muren geschilderd worden.’

Maar interessanter is dat dezelfde Augustinus ergens anders een citaat aanhaalt uit Varro2 – een citaat dat hij onderschrijft: degenen die als eerste godenbeelden hebben ingevoerd, hebben de vrees weggenomen en de dwaling vergroot.3 Als alleen Varro dit zei, zou het misschien weinig gezag hebben. Maar toch zouden we ons ervoor moeten schamen dat een heiden in het donker op de tast dit licht gevonden heeft. Dat hij tot het inzicht gekomen is dat fysieke afbeeldingen geen recht doen aan Gods majesteit, omdat de mensen daardoor God minder gaan vrezen en meer gaan dwalen.

De feiten tonen aan dat deze uitspraak even waar als verstandig was. Augustinus heeft hem dus van Varro overgenomen, maar hij gebruikt hem alsof het zijn eigen mening is. En hij wijst er in de eerste plaats op dat de dwalingen over God, waarin de mensen terechtgekomen zijn, niet zijn begonnen bij de beelden. De dwalingen zijn door de beelden alleen maar toegenomen, omdat de mensen daardoor extra aanleiding hadden om te dwalen. In de tweede plaats legt Augustinus uit dat de mensen daardoor God minder of zelfs helemaal niet meer vreesden. Want beelden zijn zo dwaas en hun vorm is zo ongeschikt en absurd, dat Gods majesteit daarin gemakkelijk kan worden geminacht. Ach, ervoeren wij maar niet hoe waar dat tweede punt is!

Ieder die goed onderwijs wil krijgen, moet dus uit iets anders leren wat hij over God moet weten en niet uit beelden.

1Eusebius († 339), bisschop van Caesarea.

2Varro (1e eeuw v. Chr.), Romeinse auteur.

3Augustinus, De civitate Dei IV, 9,31.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.