Insitutie Boek 1 – God als schepper 1.1 – Godskennis en zelfkennis 1.1.2 – Kennis van onszelf kan niet zonder kennis van God

1.1.2 – Kennis van onszelf kan niet zonder kennis van God

Aan de andere kant is het duidelijk dat de mens zichzelf nooit echt leert kennen als hij niet eerst het gelaat van God gezien heeft. Pas daarna kan hij naar zichzelf kijken. We zijn van onszelf zo trots, dat we altijd vinden dat we rechtvaardig, ongeschonden, wijs en heilig zijn. Totdat we door duidelijk bewijs overtuigd worden van onze onrechtvaardigheid, weerzinwekkendheid, dwaasheid en onreinheid.

Maar we worden nooit overtuigd als we alleen naar onszelf kijken en niet ook naar de Heer. Hij is de enige norm die ons tot dit oordeel kan brengen. We zijn allemaal geneigd tot hypocrisie. Daarom zoeken we geen rechtvaardigheid, maar zijn we al tevreden met alles wat er maar een beetje op lijkt. Alles in ons of onze omgeving is enorm besmeurd met onzedelijkheid. Dus zolang we onze gedachten binnen de perken van de menselijke besmetting houden, zijn we blij met alles wat ook maar iets minder smerig lijkt. Zoals een grijswitte tint of zelfs donkerbruine vlekken er volmaakt wit uitzien voor een oog dat alleen maar zwart gezien heeft.

Ja, met een ander voorbeeld uit de zintuiglijke waarneming kan ik nog beter duidelijk maken hoe sterk onze waarneming verstoord wordt als we de positieve eigenschappen van onze geest beoordelen. Als we midden op de dag naar de grond kijken of naar de dingen om ons heen, vinden we dat we een heel goed gezichtsvermogen hebben. Maar als we opkijken naar de zon en er recht in staren, wordt datzelfde gezichtsvermogen meteen verblind en verward door het felle licht. Dan moeten we toegeven dat de heldere blik waarmee we aardse dingen kunnen onderscheiden, dof is als het om de zon gaat.

Zo gaat het ook als we onze geestelijke vermogens beoordelen. Zolang we niet verder kijken dan de aarde, zijn we heel tevreden met onze rechtvaardigheid, wijsheid en kracht. We spreken onszelf heel vleiend toe en zien onszelf haast als halfgoden. Totdat we onze gedachten op God gaan richten en we gaan nadenken over wie Hij is en hoe absoluut volmaakt zijn rechtvaardigheid, wijsheid en kracht zijn. Dat is de norm waaraan we moeten voldoen.

De valse voorwendselen van rechtvaardigheid waar we eerst blij mee waren, raken dan besmet met de grootst mogelijke onrechtvaardigheid. Wat zich eerst vreemd genoeg aan ons opdrong onder het mom van wijsheid, gaat ons dan met afschuw vervullen omdat het zo enorm dwaas is. En wat zich aanbood met de schijn van kracht, wordt dan veroordeeld als ellendige onmacht. Die kwaliteiten leken in ons heel volmaakt, maar blijken ver verwijderd van Gods zuiverheid.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.