Op de website van het Reformatorisch Dagblad is op dit moment een discussie aan de gang tussen Marco den Toom en Dirk Zwart over - ja, waarover eigenlijk?
De discussie begon met
interview met hen beiden in de krant zelf en de bedoeling was toen dat het een gesprek zou worden over uitgangspunten en kwaliteitseisen voor goede kerkmuziek. Maar al direct leek het meer op een discussie over de kwaliteit van hun eigen muziek en zelfs over hun persoonlijke integriteit als kerkmusicus.
Vreemd is dat niet, want de aanleiding tot de discussie werd gevormd door een paar denigrerende opmerkingen in een gepubliceerd dagboek van Dirk Zwart - denigrerende opmerkingen over (de muziek van) Marco den Toom. Als persoonlijke ontboezemingen kan ik dergelijke opmerkingen wel plaatsen, maar in gepubliceerde vorm hebben ze natuurlijk een heel andere lading gekregen. Geen wonder dat
Marco den Toom zich persoonlijk aangevallen voelt en dat dat gevoel de discussie vertroebelt.
Uitgangspunten
Ondertussen doet
Dirk Zwart zijn uiterste best om de discussie zakelijk te houden, maar zonder succes. Hij probeert echt om met goede argumenten te komen waarom de muziek van Marco den Toom kwalitatief onder maat zou zijn. Maar hij lijkt niet in te zien dat de discussie daar helemaal niet om draait. Ik zal nooit beweren dat discussies over de kwaliteit van muziek zinloos zijn, integendeel. Maar dergelijke discussies hebben alleen zin wanneer ze gevoerd worden op basis van gedeelde uitgangspunten. En het probleem is nu juist dat Dirk Zwart en Marco den Toom ieder redeneren vanuit totaal verschillende uitgangspunten. Daarom heeft het voor hen geen enkele zin om te gaan praten over kwaliteit. Eerst zullen ze moeten gaan praten over hun uitgangspunten.
Probleem is echter dat dat gesprek nooit van de grond zal komen zolang er geen wederzijds vertrouwen tussen hen is. Dat vertrouwen zal er nooit komen, wanneer Dirk Zwart de indruk blijft wekken, dat alles wat niet voldoet aan zijn uitgangspunten, per definitie ook geen kwaliteit heeft. En evenmin wanneer Marco den Toom elke kritische opmerking over de kwaliteit van zijn muziek opvat als kritiek op zijn stijl en zijn integriteit. Ze zullen dus eerst moeten inzien dat de vraag naar kwaliteit en de vraag naar welke stijlen wel en niet geschikt zijn voor kerkmuziek, verschillende vragen zijn, die uit elkaar gehaald en apart gesteld en beantwoord moeten worden.
Belangrijk
Persoonlijk vind ik het heel jammer dat deze discussie zo verloopt. Want het gaat hier wel om belangrijke zaken. Dient kerkmuziek alleen om God te eren of ook om de gemeente te 'stichten'? Is het belangrijk dat de gemeente de muziek mooi vindt of is het alleen de bedoeling dat je als kerkmusicus het beste uit jezelf haalt voor God? Mag je de gemeente beschouwen als een 'publiek' dat 'vermaakt' moet worden, of is God eigenlijk je enige publiek?
Dit is een discussie die altijd fel gevoerd wordt. In die zin is het verloop van de discussie tussen Marco den Toom en Dirk Zwart helaas heel normaal. Aan de ene kant staan de mensen die vinden dat kerkmuziek niet over de hoofden van de gemeente heen mag gaan, maar moet brengen wat de mensen mooi vinden en wat hen emotioneel raakt. Aan de andere kant staan zij die menen dat je als kerkmusicus muziek maakt voor God en dat je je niet moet aanpassen aan de smaak van de gemeente. Muzikaal opvoeden is voor hen het toverwoord.
Hoogkerkelijk
Toen ik zelf jaren geleden kerkorganist was, hoorde ik meer bij het tweede kamp. Het Dirk Zwart-kamp, zeg maar. In die tijd was er in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt een waar offensief aan de gang vanuit de Vereniging van Gereformeerde Kerkorganisten (VGK) om het niveau van de kerkmuziek op te krikken. Ik stond daar volledig achter en ik moet bekennen dat ik mij meer dan eens heb schuldig gemaakt aan moderne koraalbewerkignen vol dissonanten over onbekende melodieën. Muziek die in de gemeente alleen maar ergernis en weerstand opriep. Pas later heb ik leren inzien dat het aan VGK-standpunt een hoogkerkelijke opvatting ten grondslag lag, waarbij de kerkmuziek eigenlijk werd afgenomen van de gemeente en in de handen gelegd werd van een groepje deskundigen. Het gevolg was een steeds groter wordende kloof tussen kerkmusici en gemeente. Een kloof die volgens mij mede de oorzaak is van de tegenwoordige roep om opwekkingsliederen, bands en wat voor ongein allemaal meer.
Ja, inderdaad, deze laatste zin klinkt een beetje sarcastisch. Inderdaad betekent mijn nieuw verworven inzicht bepaald niet dat ik nu van mening ben dat de kerkmuziek volledig moet aansluiten bij wat de gemeente wil. Ik ben er nog steeds vast van overtuigd dat er muziekstijlen zijn die volstrekt onverenigbaar zijn met kerkmuziek. Muziek is een taal, maar geen enkele taal is neutraal, ook een muzikale taal niet. Elke taaluiting, elke muziekuiting heeft een inhoudelijke en gevoelsmatige lading. Voor een deel wordt die bepaald door de culturele en historische context. Muziek die in een bepaalde tijd werelds is, kán jaren later opeens heel geschikt zijn voor de kerk. Maar muziek kan ook naar zijn aard duivels en anti-christelijk zijn. Dergelijke muziek is altijd ongeschikt om een christelijke boodschap over te brengen. Helaas lijken steeds minder mensen dit te beseffen.
Gemeentezang
Wat zijn nu wat mij betreft de uitgangspunten voor goede kerkmuziek? Voorop staat voor mij dat kerkmuziek muziek is van en door de kerk, dus van en door de gemeente. Niet van en door de kerkmusicus. Hoogkerkelijke opvattingen hebben de neiging de kerkmuziek van de kerkmensen af te pakken en bij de deskundigen te leggen. Dat is rooms. Niet voor niets hebben Luther en Calvijn juist de gemeentezang ingevoerd. Goede kerkmuziek draait dus om de gemeentezang. Is daar dienstbaar aan. De taak van de kerkmusicus is dus niet om zelf het beste geven tot eer van God, maar om de gemeente in staat te stellen het beste te geven. Dat betekent dus dat een kerkmusicus wel degelijk rekening moet houden met de gemeente. Goede kerkmuziek moet effectief zijn en dat kan alleen als het de gemeente raakt. Maar dat betekent niet dat kerkmusici de gemeente mogen behandelen als luie consumenten die vermaakt moeten worden. Als de kerkmuziek ten diepste muziek door de gemeente is, zal de kerkmusicus de gemeente met zijn muziek moeten activeren.
Vroeger werden organisten wel vergeleken met predikanten. Jan Zwart werd een profeet op de orgelbank genoemd. Ik denk dat die vergelijking nog zo gek niet is. Een goede preek is evangelieverkondiging. Geen cabaretvoorstelling om de gemeente te vermaken. Ook geen theologisch hoorcollege dat alleen voor intelligente fijnproevers is te volgen. Een preek moet effectief zijn. Een preek moet de gemeente in het hart raken en een blijvende indruk achter laten, wat iets anders is dan een tijdelijke, al dan niet prettige, emotionele reactie opwekken of de mensen in trance brengen. Een goede preek spreekt behalve het gevoel ook het verstand aan. Een goede preek geeft mensen niet altijd wat ze graag willen horen, maar confronteert en bouwt op.
Al deze dingen zouden volgens mij ook moeten gelden voor kerkmuziek. Ik ben bang dat de muziek van Dirk Zwart veelal over de hoofden van de mensen heen gaat. Ik ben bang dat de muziek van Marco den Toom de mensen lui en oppervlakkig maakt. Ik ben bang dat ze geen van beiden de kerk opbouwen, maar afbreken. En velen met hen. Gelukkig zijn er ook nog anderen.
Reacties