Vandaag op 31 oktober is het Hervormingsdag. Voor veel christenen is het een elk jaar grotere ergernis dat die dag samenvalt met het heidens aandoende feest Halloween. Op de dag waarop de kerk herdenkt dat ze nu bijna 500 jaar geleden de weg naar het leven herontdekte, viert de wereld de dood. Een grotere tegenstelling is nauwelijks denkbaar.

Toch is het geen toeval dat die twee dingen samenkomen op één en dezelfde dag.

Halloween heeft inderdaad een heidense oorsprong. Het komt voort uit een voorchristelijk Keltisch feest. Bij de Kelten begon na de oogst, op 1 november, het nieuwe jaar. En ze geloofden dat bij het begin van het nieuwe jaar de geesten van de overledenen een poging deden om een lichaam te kapen van een levende, om daarmee het nieuwe jaar in te gaan. Op dat moment konden de wereld van de doden en de wereld van de levenden elkaar ontmoeten. Er was contact mogelijk tussen levenden en doden.

Allerheiligen en Allerzielen

Maar toen Europa gekerstend werd, kreeg ook dit heidense feest een christelijke invulling. De naam Halloween komt van All Hallows Eve. Dat is de vooravond (Eve) van Allerheiligen (All Hallows). Net zoals Christmas Eve op 24 december de vooravond van kerst is en New Year’s Eve de vooravond van nieuwjaar, oftewel oudejaarsavond. Ook in Nederland kennen we zo’n vooravond: we vieren sinterklaasavond op de avond van 5 december. Dat is de avond vóór de naamdag van Sint Nicolaas op 6 december.

Allerheiligen wordt in de roomse kerk gevierd op 1 november. Op die dag worden de gelovigen geëerd die in de hemel zijn. Een dag later is het Allerzielen. Op die dag gaat het om de zielen die nog onderweg zijn naar de hemel. Op beide feestdagen draait het dus om de doden. En net als bij het oude Keltische feest gaat het om contact tussen levenden en doden.

Allerheiligen en Allerzielen hebben namelijk alles te maken met het roomse verzinsel van het vagevuur. Volgens de leer van de roomse kerk gaan gelovigen niet rechtstreeks naar de hemel. Ze gaan ook niet naar de hel, zoals de ongelovigen. Maar ze moeten wel eerst boete doen. Dat gebeurt in het vagevuur. Dat kan lang duren en die duur is afhankelijk van het aantal zonden dat je tijdens je leven gedaan hebt. Die zijn weliswaar vergeven. Maar toch moet je er eerst nog voor betalen. Pas dan ga je naar de hemel.

Er zijn echter ook mensen die zo heilig geleefd hebben dat ze wel rechtstreeks naar de hemel mogen. Ze zijn de marteldood gestorven voor hun geloof en hebben daarmee al voor hun zonden betaald. Of ze hebben zoveel goede daden gedaan, dat ze nog iets over hebben om voor de zonden van anderen te betalen. Dat zijn de degenen die door de roomse kerk, door de paus, heilig verklaard zijn. Zij worden aangeduid met de term ‘sint’, afgeleid van het Latijnse sanctus, wat ‘heilig’ betekent. Al die heiligen hebben een naamdag, waarop ze speciaal geëerd worden. Ik noemde al de naamdag van Sint Nicolaas op 6 december. Maar er zijn zoveel heiligen – een hele santenkraam – dat ze nooit allemaal aan bod komen. Daarom die ene dag in het jaar: Allerheiligen.

Vagevuur en aflaathandel

Beide feestdagen, Allerheiligen en Allerzielen, zijn dus gebaseerd op het idee dat er contact mogelijk is tussen de mensen op aarde en de overledenen in de hemel of in het vagevuur. Tot heiligen kun je bidden. Je kunt een beroep op hen doen. Ze kunnen je te hulp komen door een wonder te doen of ze kunnen voor je pleiten bij God. En de zielen in het vagevuur hebben er baat bij als de mensen op aarde voor hen bidden of boete voor hen doen. Dat kan hun verblijf in het vagevuur bekorten. Vandaar alle dodenmissen (requiems) die in de roomse kerk worden opgedragen voor overledenen, vooral op Allerzielen.

Aan het eind van de middeleeuwen, in de tijd waarin de Reformatie begon, was er nog een andere populaire manier om de zielen in het vagevuur te helpen: het kopen van aflaten. Wie een aflaat kocht, kocht daarmee zogenaamd een stukje van de verdiensten van de heiligen. Die hadden immers verdiensten over en heel dat overschot vormde een schat waar de kerk vrij over kon beschikken. Door daar een stukje je van te kopen, kreeg je kwijtschelding van een stukje van je eigen straf (dan hoefde je zelf straks minder lang in het vagevuur te verblijven) of voor iemand die al overleden was. ‘Zodra het geld in het kistje klinkt, ’t zieltje in de hemel springt,’ rijmde de bekende aflaathandelaar Tetzel in die tijd.

Deze praktijk ging gepaard met veel misstanden. Het was een gewilde bron van inkomsten voor de kerk, die hiermee haar pracht en praal bekostigde. Er werden grote kathedralen gebouwd van dat geld. De gewone man werd het geld uit de zak geklopt door te speculeren op zijn goedgelovigheid, zijn angst voor de dood en zijn liefde voor overleden familieleden.

Maarten Luther

Geen wonder dat deze aflaathandel het eerste was waar Maarten Luther tegen in verzet kwam, toen hij het evangelie herontdekt had. In het 1517 was Tetzel actief in de directe omgeving van Wittenberg. Luther kreeg te maken met mensen die geen berouw hadden over hun zonden en toch een gerust geweten hadden omdat ze hun straf hadden afgekocht.

Dat kon natuurlijk niet! vond Luther. De enige manier om onder je straf uit te komen, was door oprecht berouw te tonen en boete te doen. Daarom stelde hij zijn beroemde 95 stellingen op. En hij spijkerde die aan de deur van de slotkapel van Wittenberg.

En wanneer deed hij dat? Op de avond van 31 oktober. De vooravond dus van Allerheiligen. Dat was een bewuste keuze. Want ook Luther begreep natuurlijk dat de aflaathandel sterk verweven was met de visie op heiligen en vagevuur, kortom op de toestand van de overledenen en hun relatie met de levenden.

Nu is het niet zo dat Luther het bestaan van het vagevuur ontkende. Het duurde nog heel wat jaren voor hij tot het inzicht kwam dat de Bijbel geen enkele basis biedt door dit verzinsel. Ook het verschijnsel van de aflaat keurde hij niet volledig af. Maar aflaten konden alleen betrekking hebben op straffen die de kerk zelf had opgelegd in dit leven, als boete voor een opgebiechte zonde. De kerk kon geen straffen opleggen voor de tijd in het vagevuur. Want zover reikte de macht van de kerk of de paus niet.

Ook aflaten golden daarom niet voor het vagevuur. Wel konden de zielen in het vagevuur volgens Luther geholpen worden met voorbede door de kerk.

27. Het is puur menselijk gedoe, als men beweert, dat de ziel uit het vagevuur omhoogschiet, zodra de klank van het geld in de kist rinkelt.

28. Eén ding is zeker: zodra het geld in de kist klinkt kunnen gewinzucht en hebzucht toenemen, maar de voorbede van de Kerk pleit op het welbehagen Gods alleen.

Het ging Luther vooral om de betekenis van bekering, berouw en boete.

36. Ieder christen die oprecht berouw heeft, heeft een volkomen vergeving van straf en schuld, ook zonder aflaatbrieven.

40. Waarachtig berouw verlangt de straf (genoegdoening) en bemint die, maar de overvloed aan aflaten maakt onverschillig en doet die (straffen) haten, geeft daar althans gelegenheid toe.

En wie oprecht berouw heeft, wil natuurlijk goede daden verrichten. Dat is pas echt boete doen!

43. Men moet de christenen leren, dat wie aan een arme geeft of aan een behoeftige leent, beter doet dan wie een aflaat koopt.

Ronduit cynisch stelde Luther de kerkelijke hebzucht aan de kaak, die aan de aflaathandel ten grondslag lag. Luther ontkende dat de kerk kon beschikken over een schat aan verdiensten van heiligen. Nee, de kerk had een andere schat die ze moest uitdelen!

62. De ware schat der Kerk echter is het heilig Evangelie van de heerlijkheid en de genade van God.

63. Maar deze schat is natuurlijk zeer gehaat, want daardoor worden de eersten tot laatsten.

64. De schat der aflaten daarentegen is natuurlijk bijzonder geliefd, want daardoor worden de laatsten de eersten.

65. Dus zijn de schatten van het Evangelie de netten waarmee men vroeger de mensen met rijkdom ving.

66. De schatten van de aflaat zijn de netten waarmee men nu de rijkdom van de mensen vangt.

Ogenschijnlijk respecteerde Luther in zijn stellingen het gezag van de paus. Zoals gebruikelijk in die tijd viel hij niet de paus aan, maar deed hij alsof anderen het gezag van de paus in hun aflaathandel misbruikten. Maar indirect leverde hij wel degelijk scherpe kritiek op de paus.

81. Een dergelijke onbeschaamde aflaatprediking maakt het ook geleerden moeilijk om de eer en de waardigheid van de paus in bescherming te nemen tegen laster en zeker ook tegen de scherpe vragen van leken.

82. Bijvoorbeeld: waarom ruimt de paus het vagevuur niet leeg vanwege zijn allerheiligste liefde en vanwege de grote nood der zielen – dat zou toch voor hem de meest voor de hand liggende reden moeten zijn -? Nu verlost hij immers oneindig veel zielen terwille van dat ellendige geld voor de bouw van de basiliek – een geringe reden.

83. Of: waarom blijven de dodenmissen en de jaarlijkse gedachtenisvieringen voor de overledenen dan nog bestaan en waarom geeft hij de jaargelden die daarvoor gesticht werden niet terug of staat hij hun teruggave niet toe, het is toch zeker onjuist om voor de al (door de aflaat! vert.) verlosten nog te bidden?

Samenvattend kunnen we zeggen dat Luther op 31 oktober 1517 nog met één been in de tijd vóór de Reformatie stond en alleen met het andere het nieuwe tijdperk was binnengegaan. Hij bekritiseerde de misstanden van de hebzucht en het machtsmisbruik van de kerk. En hij predikte de kern van het evangelie dat haaks stond op de praktijk van de toenmalige aflaathandel: gratis vergeving, zonder betaling, maar met berouw. Maar Luther bleef vasthouden aan het vagevuur en het bidden voor overledenen die nog niet in de hemel waren. En evenmin keerde hij zich expliciet tegen heiligenverering.

Luther was dus nog niet zover dat hij Allerheiligen en Allerzielen wilde afschaffen. Hij wilde ze alleen zuiveren.

Hervormingsdag en Halloween

Luther had zijn stellingen geschreven in het Latijn. Hij richtte zich dus niet op het gewone kerkvolk. Nee, hij wilde een debat uitlokken tussen theologen. Dat lukte niet echt. Al snel werden zijn stellingen vertaald in het Duits, gedrukt en wijd en zijd verspreid. Met grote gevolgen.

Daarom vormen deze 95 stellingen het symbolische begin van de Reformatie. En daarom vieren we nog steeds Hervormingsdag op 31 oktober, de dag vóór Allerheiligen.

De dag die samenvalt met Halloween.

Een feest dat in de afgelopen jaren is overgewaaid uit Amerika en zich ontdaan heeft van zijn christelijke invloeden. Het is hoe langer hoe meer weer een puur heidens feest aan het worden.

Op 31 oktober wordt zo de strijd zichtbaar tussen het licht en het duister, tussen het leven en de dood. De Reformatie lijkt in Nederland het onderspit te delven tegen de macht van de satan. Maar ook al grijnst de open hel ons aan, het Woord houdt eeuwig stand!

Reageren