‘Om te winnen geef ik alles, alles, alles!’ Dit is een uitspraak van de voetballer Dirk Kuijt, die ik een tijd geleden tegenkwam in een reclamecampagne van een supermarkt. Natuurlijk moet je niet alles serieus nemen wat in reclamecampagnes gezegd wordt, maar hij tekent wel het fanatisme waar deze voetballer om bekend staat. Bovendien vond ik deze uitspraak eigenlijk heel logisch. Immers, ik kom hem ook al in de bijbel tegen. In de eerste brief aan de Korinthiërs zegt Paulus: ‘Iedereen die aan een wedstrijd deelneemt beheerst zich in alles.’ (1 Kor. 9: 25 NBV) Winnen gaat immers niet vanzelf. Je moet er veel voor doen. Je moet er veel voor laten. Je moet er veel voor opofferen.

Toch schrik ik van zo’n uitspraak. Want wat zou zo’n voetballer nu eigenlijk bedoelen met ‘alles’? Al zijn tijd? Al zijn geld? Al zijn energie? Dan houdt hij niet veel over voor andere dingen. Wat vinden zijn vrienden daarvan? Zijn familie? Zijn gezin? Offert hij zijn relatie met hen ook zomaar op? En hoe zit het met zijn gezondheid? Topsport is niet echt gezond. Maakt hem dat nog iets uit? Of neemt hij de risico’s op ernstige blessures voor lief, ja zelfs mogelijke hartproblemen en hersenbeschadigingen, waar topvoetbal mee gepaard blijkt te gaan? Is hij soms bereid zijn leven te geven om te winnen?

En dan nog iets. Komt Dirk Kuijt niet uit het christelijke Katwijk? Is hij niet christelijk opgevoed? Noemt hij zich niet nog steeds christen? Dan heb ik een wel heel dringende vraag voor hem: ‘Als je alles geeft om te winnen, wat blijft er dan over voor God? Moet Hij niet de belangrijkste in je leven zijn? En heb jij die eerste plek niet bestemd voor het winnen?’

Ik krijg uit zo’n uitspraak sterk de indruk dat voetbal een afgod is voor Dirk Kuijt. Hij brengt offers. Niet aan God, maar aan het voetbal. Maar als het nu alleen Dirk Kuijt was, zou ik er nu niet over schrijven. Hij is maar een voorbeeld. Ik vrees dat topsport altijd een afgod is, voor ieder die aan topsport doet. Ik vrees dat dit onontkoombaar is. Ik vrees dat het ingebakken zit in de aard van topsport.

Natuurlijk kunnen allerlei beroepen aanleiding zijn tot een vorm van afgoderij. Geld, roem en succes zijn voor iedereen aanlokkelijk. Maar bij de meeste beroepen zit afgoderij niet ingebakken in het werk dat je doet. Als ik bakker ben, is mijn taak het bakken van brood voor mijn klanten. Als het goed is, doe ik dat zo goed mogelijk. Daar heb ik baat bij, want dan verdien ik beter. Daar hebben mijn klanten baat bij, want dan krijgen ze beter brood. Concurrentie is gezond. Maar ik hoef niet perse de beste bakker te worden in mijn woonplaats, of in het hele land, of in de hele wereld.

Bij andere beroepen kun je de verleiding om de beste te willen zijn natuurlijk sterker voelen. Als artiest bijvoorbeeld is bekendheid en roem onderdeel van je werk. Je moet echt je best doen om boven het maaiveld uit te steken. Maar uiteindelijk draait het dan als het goed is toch om het product dat je levert. Je wilt vooral goede muziek of mooie kunstwerken afleveren. Hoop ik.

Om het nog iets duidelijker te maken: als je het concurrentie-aspect uit deze beroepen zou verwijderen, zou het beroep zelf niet wezenlijk veranderen. Als je de enige bakker bent in de wijde omtrek, is je taak nog steeds om zo goed mogelijk brood te bakken. Als je de enige artiest bent die een bepaalde kunstvorm beoefent, is je taak nog steeds om mooie kunst te maken. Voor jezelf en voor je klanten of publiek. En uiteindelijk voor God. Je leeft om God en je naaste te dienen. Ook in je werk. Maar je hoeft niet perse ‘alles’ op te offeren voor je werk. Er zijn zoveel meer manieren om God en je naaste te dienen. Je werk is een middel. Het is geen doel op zich.

Maar bij topsport ligt dat volgens mij anders. Haal het concurrentie-aspect weg uit de topsport en wat blijft er over? Is de wil om de beste te zijn niet het enige bestaansrecht voor topsport? Je kunt geen topsport bedrijven zonder de beste te willen zijn. Je kunt geen topsporter zijn als je niet bereid bent om alles op te offeren. Niet alleen om te winnen. Vaak al om alleen maar mee te kunnen doen. Wil je dat niet, dan kun je je niet handhaven. Dan ben je geen echte topsporter.

Nu is het niet altijd verkeerd om ergens veel of zelfs alles voor op te offeren. Soms kan het goed zijn om zelfs je leven op het spel te zetten. Maar het maakt wel uit waar je dat dan voor doet. Voor de vrijheid van je land. Om het leven van anderen te redden. Om het evangelie te verspreiden. Dat zijn zomaar een paar voorbeelden. Om ergens de beste in te zijn? Nou nee.

Nu zijn er de laatste tijd steeds meer christenen die denken dat topsport gewoon een van de vele manieren is waarop je je door God gegeven gaven kunt ontplooien. En krijg je als topsporter geen geweldige kansen om van je geloof te getuigen? Ik wil niets afdoen aan de oprechtheid van deze christenen. Maar volgens mij maken zij een paar denkfouten.

1. Het draait in het leven niet om het ontplooien van je gaven. Want dan zet je jezelf in het middelpunt. Het gaat er om dat je je gaven inzet om God en je naaste te dienen. Dan zet je God in het middelpunt. Dat je ergens goed in bent is dus geen reden genoeg om iets te doen. Je moet je altijd afvragen: wat hebben God en anderen eraan als ik dit doe? Bovendien: je gaven ontplooien kan altijd op meerdere manieren. Dezelfde gaven die jou tot een goede topsporter maken, kun je ook buiten de topsport goed gebruiken.

2. Je krijgt als topsporter misschien wel veel kansen om te spreken over je geloof. Maar je daden zijn uiteindelijk minstens zo belangrijk als je woorden. Je kunt na een overwinning wel zeggen dat God het belangrijkste is in je leven en dat die overwinning er eigenlijk niet zo toe doet. Maar dan vragen ik en vele anderen zich toch af: waarom heb je dan zoveel opgeofferd voor die overwinning? Daar wringt iets en het is dan ook geen wonder dat de meeste christelijke sporters in hun getuigenis zelden verder komen dan: God heeft me geholpen bij mijn overwinning. Tja, dan sta je dus toch weer zelf in het middelpunt. Dan dien jij niet God, maar dient God jou.

Terug naar Paulus. Sporters doen en laten ‘alles’ om te winnen. En vervolgens zegt Paulus: ‘Atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke.’ Zie je dat Paulus hier een tegenstelling aanbrengt tussen atleten en gelovige christenen? Je kunt niet tegelijk alles doen voor een vergankelijke én voor een onvergankelijke erekrans. Het is met roem en succes net als met geld. Je kunt niet God dienen én de Mammon. Je moet kiezen. Je kunt elke euro maar één keer uitgeven. Je kunt elke minuut maar één keer leven. Je kunt elke calorie maar één keer verbranden. Waar doe je het voor?

Nee, ik heb niet zo’n zin in het EK voetbal. Een partijtje voetbal is leuk, ook om naar te kijken. Maar om nou enthousiast te gaan zitten doen omdat mensen hun leven verspillen…

Bron foto: https://www.flickr.com/photos/31381897@N03/3046563471/

8 REACTIES

  1. Mooi om over na te denken. Voor mij is het overigens wel makkelijk, ik ben geen topsporter en zal het ook niet worden. Ik blijf dus buiten schot.
    Maar goed, we kunnen ons ook afvragen hoe we hier als toeschouwer in staan. Verheerlijken we onze afgoden? Bijvoorbeeld Kuijt? Of misschien wel ‘onze’ artiest?

  2. Ik vind dat u wel erg makkelijk oordeelt over een christenbroeder.
    U kent hem niet en past een reclameboodschap direct toe op zijn geestelijk leven. “Alles geven” betekende in het geval van de reclamespot “zich maximaal inzetten” gedurende de wedstrijd. “Maximaal inzetten” is heel wat anders dan alles opofferen.
    Eigen broeders bekritiseren, is als friendly fire (je eigen maat overhoop schieten) in het leger.
    Bovendien in alle vroomheid oordelen over broeders en zusters deden de farizeeërs ook in de eerste eeuw. U weet hoe fel Jezus daarop ageerde. Hoedt u daarvan…..

    • @HANNA:
      Als je goed leest, zie je dat ik geen oordeel uitspreek over Dirk Kuijt en andere christenen. Ik stel een aantal kritische vragen, ik uit mijn zorg en ik geeft mijn eigen mening. Dat is iets heel anders dan oordelen.

      Je hebt gelijk dat ik daarmee kritisch ben tegenover andere christenen, die volgens mij te weinig kritisch naar topsport kijken en er zelfs aan meedoen. Maar volgens mij leert de bijbel juist dat je mede-christenen kritiek mag en zelf moet geven als ze in leer of leven de fout in gaan. Zolang je maar onderscheid maakt tussen de persoon en diens gedrag en opvattingen. En zolang je maar ruimte laat om van mening te verschillen zolang het over ondergeschikte zaken gaat. Volgens mij doe ik dat in dit artikel. Ik geef mijn mening: topsport en christen zijn kunnen volgens mij niet samen gaan. Maar ik zeg daarmee niet dat christenen die er anders over denken geen echte christenen zijn. Ik wil andere christenen graag van mijn mening overtuigen. Maar meer ook niet.

  3. Eindelijk eens een goede bijbelse onderbouwing van het afgodische aspect van topsport en van de huidige voetbalverdwazing.
    Een verademing om een dergelijk geluid eens te horen temidden van de schreeuwerige voetbalverhalen in kranten en Tv-programma’s.

  4. Het is makkelijk om Dirk op deze manier te bekritiseren. Als je oprecht om hem geeft ga je zelf met hem het gesprek en de kritiek aan. Niet op het internet.

    • Dirk Kuijt is een publiek persoon en zijn gedrag als christen is (als het om voetbal gaat) voor iedereen te volgen. Ik vind dat je dan ook publiek je mening daarover mag geven. Vooral omdat het niet alleen om Dirk Kuijt gaat. Zoals ik in het artikel al zei, hij is maar een voorbeeld dat helaas door andere christenen gevolgd wordt. Mijn artikel is dan ook niet in de eerste plaats bedoeld als kritiek op Dirk Kuijt op maar op al die christenen die topsport probleemloos accepteren.

  5. Ik snap ergens uw punt over combinatie van geloof en topsport, maar is het wel zo verkeerd als u beschrijft. Laat ik als voorbeeld een schilder nemen, zo’n schilder wil ook het mooiste schilderij maken wat er bestaat. Ook een schilder is bereid om daar veel voor te doen,(overigens sporters stellen familie vaak boven hun werk), is het dan ook verkeerd om een christelijke schilder te zijn?

    • Er zullen inderdaad schilders en andere kunstenaars zijn die hun kunst bedrijven alsof het topsport is. Dat wil zeggen dat ze er teveel voor opofferen en vooral uit zijn op eigen eer en daarom de beste willen zijn. Ik denk dat die verleiding voor kunstenaars zeker groter is dan voor mensen in andere beroepen. Maar volgens mij is er een cruciaal verschil met topsport. Je kunt schilder zijn vanuit een nederige houding. Dat wil zeggen dat je gewoon een zo mooi mogelijk schilderij wilt maken om God ermee te eren en je naaste ermee te dienen. Bij topsport is zo’n houding volgens mij vrijwel onmogelijk, omdat ‘de beste willen zijn’ de essentie van topsport is.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in