Als stamboomonderzoeker wil je natuurlijk graag meer dan alleen een verzameling namen en data. Je wilt ook graag weten wie de mensen waren achter die gegevens. Wat hebben ze allemaal meegemaakt? Wat hield hen bezig? Wat voor karakter hadden ze? Vanuit welke overtuiging leefden ze? Het probleem is alleen dat er nauwelijks bronnen zijn waaruit je dat soort gegevens kunt halen. Je moet als onderzoeker geluk hebben. En dat betekent meestal dat je voorouders juist geen geluk hadden. Want de grootste kans om meer over je voorouders te weten te komen, krijg je als zij op een of andere manier in aanraking gekomen zijn met justitie. Dat kan zijn als dader, slachtoffer of getuige bij een misdrijf. Of als eiser of gedaagde in een civiele procedure.

Van dat laatste nu een voorbeeld. Ook dit is geen verhaal om vrolijk van te worden.

Op 12 juli 1769 stonden mijn oudovergrootouders Jacob Hendriks Broekman en Roelofje Timens uit Dwingeloo in Assen voor de Etstoel. De Etstoel was de hoogste rechtbank in Drenthe. In december 1768 was Roelofje bevallen van een zoon. Ze had hem Jacob genoemd, naar zijn vader. Tenminste, door hem die naam te geven onderstreepte ze haar claim dat Jacob Hendriks Broekman de vader was. Ze waren namelijk niet getrouwd. Wel zou Jacob haar trouwbeloften gedaan hebben, nog voordat ze met elkaar naar bed geweest waren. Maar toen ze zwanger was, weigerde hij die beloften na te komen. En dat bleef hij doen toen het kind geboren was. Daarom daagde Roelofje hem voor de Etstoel. Hij moest alsnog met haar trouwen ‘coram facie ecclesiae’ (voor het aangezicht van de kerk) of een schadevergoeding betalen van 100 zilveren ducatons, plus alimentatie voor het kind.

Al op 7 december 1768, in dezelfde tijd dat het kind geboren was, had Roelofje bij de Etstoel een verzoek ingediend voor ‘pro deo armregt’. Ze kon een rechtszaak tegen Jacob niet betalen. Het verzoek werd ingewilligd. Nu hield de Etstoel slechts twee keer per jaar zitting, dus de zaak zelf kwam pas aan de beurt bij de volgende zitting in juli 1769.

Namens Roelofje werd aangevoerd dat de ‘impetrante’ (eiser) en de ‘gerequireerde’ (gedaagde) samen gewoond hadden bij mevrouw Versluis. Blijkbaar waren ze daar beiden in dienst geweest. Jacob was daar zeer ‘gemeensaam’ met Roelofje omgegaan. Hij had haar gekust, was met haar ‘te bedde’ gegaan en was ‘zeer in zijn schik geweest, wanneer zijn Hansjen in de kelder gedronken wierd’. Toen Roelofje zwanger was, zou hij bekend hebben dat het wel van hem zou zijn, want hij had ‘haar verscheijden maal op de Rugge gehad’. Dit klinkt niet als typische advocatentaal. Ik heb er vergelijkbare zaken op nagekeken en daarin gaat het meestal over ‘vleeschelijk verkeer’. Blijkbaar wordt Jacob hier letterlijk geciteerd, of in elk geval de weergave van zijn woorden zoals Roelofjes advocaat die van haar of anderen gehoord had.

Verder werd aangevoerd dat Jacob op 6 februari 1768 schriftelijk beloofd had dat hij Roelofje nooit zou verlaten. Vervolgens zou hij meer dan eens beloofd hebben om met haar trouwen. Hij zou er alleen bij gezegd hebben dat hij er nog niet aan toe was. Bovendien had Roelofje ‘ante, in et post partum’ (tijdens de bevalling, namelijk pal voor, tijdens en direct na het moment van de geboorte) bekend dat Jacob de vader was. Op het hoogtepunt van de barensnood werd ongehuwde moeders altijd die vraag gesteld en het antwoord gold blijkbaar als extra betrouwbaar. Tenslotte werd nog de verzekering gegeven dat Roelofje zich ‘buiten dit geval’ altijd ‘eerlijk’ had gedragen.

Met dat laatste bleek Jacob het nu net niet eens te zijn. Hij en zijn advocaat kozen de gebruikelijke tactiek voor dit soort gevallen. Je kunt het moeilijk anders omschrijven dan als een poging om Roelofje zwart te maken. Al in 1764 zou ze zich heel oneerbaar gedragen hebben met ‘manspersonen’ en zouden er geruchten geweest zijn dat ze zwanger was. Zelf zou ze een zekere Cornelis Willems ervan beschuldigd hebben dat hij de vader was. Ze woonde toen in de buurtschap Voshaar. In 1765 woonde ze bij Jan Bloemers. Daar zou ze op dezelfde manier zijn omgegaan met ‘manspersonen’. Vervolgens, na haar ziekte, woonde ze in de buurtschap Anholt bij Ruinen en vervolgens in Zuidwolde. In Anholt was haar omgang met ‘manlieden’ niet beter en in Zuidwolde lag ze zelfs met ‘manspersonen’ in het hooi.

Toen ze terugkwam in Dwingeloo, ging het gerucht dat ze ‘kramen’ moest van haar ‘heerschap’ (de man bij wie ze in dienst was) Hindrik Claessen. Bovendien was ze heel ‘familiaar’ omgegaan met twee soldaten en ook in het huis van mevrouw Versluis deed ze dat met een zekere Evert Klunder en een horlogemaker. Ook was ze op een bepaald moment alleen geweest met een zekere Berent van Wierum. De laatste zou na zijn terugkomst zelfs tegen een ander meisje gezegd hebben dat hij liever bij Roelofje was dan bij haar. Tenslotte had ze in een dronken bui ook nog geprobeerd Jacob bij haar in bed te slepen. Of haar dat gelukt was, wordt niet vermeld. Alleen dat er wat betreft de aangevoerde klacht niets bewezen was.

Wat betreft de schriftelijke trouwbelofte snapte Jacob niet hoe die in de wereld gekomen was. Misschien was hij dronken geweest toen hij die schreef. Hoe dan ook, hij was destijds minderjarig geweest, dus deze belofte was toch niet rechtsgeldig. Tenslotte werd nog aangevoerd dat Roelofjes getuigen partijdig waren, in tegenstelling tot Evert Klunder die geheel vrijwillig getuigde in het belang van Jacob. Kortom, wat Roelofje allemaal beweerde, kon niets anders zijn dan ‘korswijl’ (koortsijlen).

In zijn repliek maakte Roelofjes advocaat korte metten met Jacobs verweer. De schriftelijke trouwbelofte kon niet ontkend worden. Wat betreft het oneerbare gedrag van Roelofje, dat mocht misschien waar zijn, maar er was geen bewijs voor. Bovendien was dat geen enkel excuus voor Jacob om zich aan zijn plicht te onttrekken. En inderdaad was Jacob destijds minderjarig geweest, maar Roelofje ook. Bovendien hadden Jacobs ouders niets op het huwelijk tegen. Dat hadden ze expliciet verklaard.

Dat laatste is opmerkelijk. Wat had Jacob op Roelofje tegen? Het zal geen standsverschil geweest zijn. Dan zouden zijn ouders waarschijnlijk nog meer tegen het huwelijk gekant geweest zijn dan hijzelf. Was het echt haar oneerbare gedrag? Ook dan zou je toch verwachten dat zijn ouders geen voorstander van het huwelijk zouden zijn. Maar misschien vonden ze dat hun zoon gewoon de verantwoordelijkheid voor zijn daden moest nemen. Of ze waren bang voor de schande van een onecht kleinkind. Of ze voorzagen financiële problemen als er een schadevergoeding en alimentatie betaald moest worden. Misschien dat Jacob gewoon geen zin had in een huwelijk met een vrouw die ruim drie jaar ouder was dan hijzelf en die hem, in zijn beleving, misschien wel in de val had laten lopen. Toen het kind verwekt was, was hij nog geen twintig en zij al drieëntwintig. Hij was misschien naïef geweest en nu ontgoocheld.

In elk geval zal, behalve de schriftelijke trouwbelofte, het standpunt van Jacobs ouders zwaar meegeteld hebben bij het oordeel van de etten. Jacobs advocaat wist in zijn dupliek niets zinnigs meer te zeggen. Roelofjes advocaat had gevraagd of beide partijen met elkaar geconfronteerd mochten worden, zodat de etten zichzelf een oordeel konden vormen wie de waarheid sprak. Dat vonden ze niet nodig. Ze wezen een commissie aan die moest proberen een minnelijke schikking te bereiken. Ik vermoed dat hun optimisme was ingegeven door het feit dat zelfs Jacobs ouders voor het huwelijk waren.

De poging mislukte echter. Jacob bleef halsstarrig weigeren om met Roelofje te trouwen. En dus werd hij op 13 juli veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding en alimentatie. De schadevergoeding was echter veel lager dan geëist. 100 zilveren ducatons was in dit soort gevallen de gebruikelijke eis, maar Jacob hoefde slechts 50 daalders te betalen. Dat was nog niet de helft. De alimentatie bedroeg 15 stuivers per week voor de eerste twaalf jaar en daarna 8 stuivers per week tot het kind achttien was. Bovendien moest hij de onkosten voor de procedure betalen.

Waarom was de schadevergoeding zo laag? Hield de Etstoel rekening met Jacobs financiële positie? Of werkte Roelofjes bezoedelde reputatie in haar nadeel? Ik denk het laatste. De schadevergoeding bestond uit drie onderdelen: ‘dotatie, defloratie en kraamkosten’. Een ‘dotatie’ was een bruidssom die Jacob moest betalen omdat hij niet met Roelofje wilde trouwen. ‘Defloratie’ was ontmaagding (letterlijk: ‘ontbloeming’). Ik kan me voorstellen dat de etten het aannemelijk vonden dat er, gezien Roelofjes verleden, van ontmaagding geen sprake was geweest, zodat de schadevergoeding dus minder hoog hoefde te zijn. Maar hoe dan ook, het is goed mogelijk dat de financiële last voor Jacob toch nog zó hoog was dat dat hem uiteindelijk toch over de streep heeft getrokken. Want nog voor het eind van het jaar 1769 waren Jacob en Roelofje alsnog getrouwd!

Ze kregen samen nog zeven kinderen. Van hun in totaal acht kinderen overleed er één in het eerste levensjaar. De rest werd volwassen. Jacob jr. is nooit getrouwd. Dochter Femmigje wel. Zij trouwde met Hendrik Willems Nijboer. Mijn oma van moeders kant, Femmigje Nijboer, stamt van hen af. Zodoende zijn Jacob en Roelofje dus twee van mijn 128 oudovergrootouders geworden. Dit verhaal geeft daarmee een mooi voorbeeld van de talloze keuzes die in het verleden gemaakt zijn en die er uiteindelijk toe geleid hebben dat ik nu leef. Als Jacob en Roelofje uiteindelijk niet toch getrouwd waren, was ik er nu niet geweest.

Bron

Archief van de Etstoel, Drents Archief, Assen, toegangsnummer 85, inventarisnummer 14, deel 56, blad 176; deel 57, blad 17v-19 en 21v-22.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in