Elke dag overkomt het heel wat mensen. Je krijgt slecht nieuws. Je verliest je baan. Je blijkt levensgevaarlijk ziek. Er is iemand overleden van wie je veel houdt.

Zo’n boodschap komt hard aan, zeker als je het niet verwacht en je leven er opeens volledig door op z’n kop gezet wordt. Goed mogelijk dat je eerste reactie zal zijn: dit kan niet! Dit is niet waar! Ik geloof het niet!

Je moet een proces door. Een soort rouwproces. En de eerste fase van dat proces is de ontkenningsfase. Zolang je daarin zit, kom je geen stap verder. En niemand kan je helpen of troosten. Want je wijst alles af. Je hebt niets nodig. Want er is immers niets aan de hand.

Troost? Troost is een bevestiging van het slechte nieuws. Troost aannemen is een erkenning van het slechte nieuws. En dat wil je niet. Daar ben je nog niet aan toe!

Ik denk dat veel gereformeerden tegenwoordig hetzelfde gevoel hebben als de Heidelbergse Catechismus hen vraagt naar hun enige troost.

Vroeger stond de Catechismus wel bekend als het Troostboek. En dat is niet zo vreemd. Het woord ‘troost’ speelt in de Catechismus een belangrijke rol. Natuurlijk is er die bekende eerste vraag naar onze enige troost in leven en sterven. Daarmee wordt de hele Catechismus als het ware onder de vlag van dat woord geplaatst: ‘troost’.

Om welke troost gaat het dan? Dat ik het eigendom ben van Christus. Wat houdt dat in? Drie dingen:

  • Ik ben verlost van mijn zonden en bevrijd uit de macht van de duivel.
  • Ik wordt beschermd. Er overkomt mij niets zonder de wil van mijn Vader en zelfs het kwaad werkt mee aan mijn welzijn.
  • Ik heb dankzij het werk van de Heilige Geest de zekerheid dat ik eeuwig mag leven.

Om deze troost werkelijk te ervaren, moet ik volgens de Catechismus drie dingen weten:

  • Hoe groot mijn zonden en ellende zijn.
  • Hoe ik daarvan verlost moet worden.
  • Hoe ik God voor die verlossing dankbaar moet zijn.

Als je Catechismus een beetje kent, weet je natuurlijk dat dit de drie punten zijn die samen het raamwerk van de hele Catechismus vormen: ellende, verlossing, dankbaarheid. Met andere woorden: in heel de Catechismus draait het uiteindelijk om één ding: troost!

Nu komt het woord ‘troost’ ook verderop in de Catechismus nog vier keer terug:

  • Als het gaat om Christus’ neerdaling in de hel (zondag 16).
  • Als het gaat om Christus’ terugkeer voor het laatste oordeel (zondag 19).
  • Als het gaat om het werk van de Heilige Geest (zondag 20).
  • Als het gaat om onze eigen opstanding en het eeuwige leven (zondag 22).

Blijkbaar zijn dit volgens de Catechismus de meest troostvolle punten uit ons geloof. Dit is blijkbaar het beste nieuws! Wat houdt het precies in?

  • Ik hoef niet meer bang te zijn voor de hel of het laatste oordeel!
  • Ik mag uitkijken naar het toppunt van geluk en dat voor eeuwig. Ik mag delen in de onvoorstelbare vreugde van Gods heerlijkheid!

En het is de Heilige Geest die mij die troost geeft. Want Hij is de Trooster die nu al bij mij is en voor eeuwig bij mij blijft.

Dat is nog eens goed nieuws, toch?

Maar hoe kan het dan dat zoveel gereformeerden van nu de Heidelbergse Catechismus zo deprimerend vinden?

Ik vermoed dat het wel eens zo zou kunnen zitten: als de Catechismus het met ons wil hebben over onze eeuwige troost, ervaren wij dat zomaar als een slechtnieuwsgesprek.

Immers, troost impliceert dat je troost nodig hebt. Troost is pas troostvol als je erkent dat je troost nodig hebt. De troost die de Catechismus je aanbiedt, confronteert je met je noden en gebreken. Je pijn en je verdriet. Je onmacht. Maar vooral: je sterfelijkheid. Je zonde en ellende.

En dan benadrukt de Catechismus ook nog eens dat dit de enige troost is. Al het andere wordt je uit handen geslagen! Je houdt niets over…

Zijn we daar wel aan toe?

Wij leven in een tijd waarin het leven voor een groot deel maakbaar lijkt. We zijn rijk, we zijn gezond. We hebben keuzevrijheid en kunnen ons leven zelf inrichten. Gevaren van ziekte en ongelukken kunnen we voor een groot deel op afstand houden.

Veel meer in elk geval dan onze voorouders van enkele eeuwen geleden. Ziekte, honger, gevaar en dood – vroeger loerden ze ieder uur. In elk geval sloegen ze vaker toe. Ieder had er regelmatig mee te maken in zijn directe omgeving. Dan heb je sneller behoefte aan een troost die verder kijkt dan dit leven.

Maar wij zitten zo vast aan het hier en nu!

Wat kan het dan een zegen zijn als je in dit leven te maken krijgt met tegenslagen. Als inderdaad alles je uit handen geslagen wordt. Dan ervaar je: er is inderdaad maar één ding dat echt troost. Mijn enige troost!

En die troost is dan niet alleen voor het sterven. O nee, juist omdat deze troost verder reikt dan het sterven, kun je er ook mee leven. Als je weet dat de ellende van nu nooit opweegt tegen de vreugde van straks (Romeinen 8:18), kun je zelfs in de ellende van nu al echt gelukkig zijn. Omdat de dingen in het juiste perspectief staan.

De Catechismus deprimerend? Alleen als je nog in de ontkenningsfase zit…

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in