AREND SLOET (1722-1786) ALS LUITENANT-STADHOUDER
Een kijkje achter de schermen van de Overijsselse politiek in het begin van de Patriottentijd

Gerrit Veldman - 5 december 1996

In 1763 bereikte Arend Sloet van Tweenijenhuizen tot Oldruitenborg het hoogtepunt in zijn politieke carrière. Door zijn benoeming dat jaar tot drost van Salland, bekleedde hij sindsdien tevens de hoogste functie in het gewest Overijssel: die van president van de Overijsselse Statenvergadering.

In de Staten van Overijssel was de soevereiniteit verdeelt over aan de ene kant de drie stemhebbende steden - Zwolle, Kampen en Deventer - en aan de andere kant de Overijsselse ridderschap. Deze ridderschap was verdeeld in drie kwartieren - Salland, Twente en Vollenhove - en hoewel er, anders dan in Gelderland, geen sprake was van aparte kwartierridderschappen, werd er toch regelmatig per kwartier vergaderd. Elk kwartier stond onder voorzitterschap van de drost van dat kwartier en de drost van het belangrijkste kwartier, Salland, was ook voorzitter van de gehele ridderschap én president van de Statenvergadering.[1]

Al was Arend Sloet dan officieel de belangrijkste gezagsdrager in de provincie, feitelijk lag het hoogste gezag sinds de herinvoering van het regeringsreglement in 1748 bij de hoogste 'dienaar' van de staten: de stadhouder. Het uit 1675 daterende reglement gaf hem verregaande bevoegdheden. Hij kon, zonder nominatie, de drie drosten aanstellen, hij had het approbatierecht betreffende de verkiezing der stadsregeringen, de 'Keur', en hij mocht alle zogenaamde buitencommissies verdelen.[2]

Om gebruik te kunnen maken van zijn bevoegdheden, ook in de andere provincies, had de stadhouder vanzelfsprekend overal in de Republiek zijn getrouwen nodig, die hem inlichtingen konden geven en zijn beleid wilden uitvoeren. Voor de stadhouder was het het gemakkelijkst wanneer deze 'luitenant-stadhouders' ook over voldoende bevoegdheden beschikten en zich in het centrum van de macht bevonden. Het lag dus voor de hand dat in Overijssel deze rol vervuld werd door de drost van Salland. Het is dan ook niet zo vreemd dat A.F. Stroink, de enige tot nog toe die een aparte publicatie aan Arend Sloet wijdde, hem zondermeer als luitenant-stadhouder van Overijssel beschouwt.[3] Maar voorzichtigheid is geboden. A.J.C.M. Gabriëls bijvoorbeeld gaat in zijn behandeling van de Overijsselse luitenant-stadhouders volledig aan Arend Sloet voorbij.[4]

Hoe kan dat? Wel, het was niet ongebruikelijk dat er in een provincie meerdere luitenant-stadhouders tegelijkertijd waren. In Overijssel betekende dat dat behalve de drost van Salland ook de drosten van Twente en Vollenhove als zodanig konden optreden, wat meestal ook daadwerkelijk het geval was. Bovendien had de stadhouder vaak ook voor de drie stemhebbende steden nog aparte vertrouwensmannen.[5] Toch nam de drost van Salland normaliter de eerste plaats onder hen in. Hoe kan Gabriëls dan Arend Sloet negeren?

Arend Sloets voorganger was Adolf Julius Borchard van Huffel van Verburg (1707-1762). Toen in 1747 het stadhouderschap hersteld werd, was deze van Huffel de enige Oranjegezinde onder de drie drosten. Als vanzelf viel hem daarom de rol van luitenant-stadhouder ten deel. Maar al binnen enkele jaren verloor hij deze positie. Vanwege zijn despotiek optreden en arbitraire ambtenverdeling zag Anna van Hannover, sinds 1751 regentes, zich genoodzaakt om de nieuwe drost van Twente, Charles Bentinck van Nijenhuis (1708-1779), op de eerste plaats te stellen. In 1754 raakten beiden betrokken bij een préséancegeschil. Bentinck trad terug en werd opgevolgd door Frederik Johan Sigismund van Heiden van Ootmarsum (1696-1769). Van Huffel bleef in functie maar zijn rol was nu definitief uitgespeeld. Van Heiden tot Ootmarsum werd nu de belangrijkste luitenant-stadhouder in het gewest Overijssel.[6]

Toen Arend Sloet in 1763 Van Huffel opvolgde als drost, bestond er dus een situatie waarin de Sallandse drost nauwelijks enige invloed had, maar die van Twente de zaken regelde. Van Heiden van Ootmarsum onderhield een geregelde correspondentie met de hertog van Brunswijk, regent sinds 1759. Het had voor de hand gelegen dat hij na het overlijden van Van Huffel tot drost van Salland zou zijn gepromoveerd, maar zolang Willem V nog niet meerderjarig was kon die zijn benoemingsrecht niet uitoefenen. De Staten van Overijssel benoemden nu zelf de nieuwe drost.[7] In 1769 echter, na het overlijden van Van Heiden van Ootmarsum, kon Willem V wel zelf een opvolger benoemen. Sigismund Vincent Gustaaf Lodewijk van Heiden Hompesch (1731-1790) volgde zijn vader op, ook als luitenant-stadhouder.

Op het eerste gezicht lijkt Gabriëls dus gelijk te hebben door aan Arend Sloet voorbij te gaan. Hij richt zich helemaal op Van Heiden Hompesch en op Lucas Gijsbert Rouse (1728-1797), burgemeester van Zwolle en de luitenant-stadhouder in de drie grote steden.[8] Maar ook Arend Sloet correspondeerde vanaf de jaren '70 regelmatig met de prins. Weliswaar is het niet terecht om, zoals Stroink doet, hem op grond daarvan meteen te beschouwen als dé luitenant-stadhouder in Overijssel, maar wel is het interessant om eens precies uit te zoeken hoe groot zijn invloed nu eigenlijk was. Als vanzelf komt dan de hele Overijsselse politieke wereld uit die tijd voor het voetlicht. Dat maakt het verhaal des te interessanter, want het was juist in die tijd dat daar een zekere Van der Capellen optrad.

Het begin
Joan Derk van der Capellen tot de Pol (1741-1784) deed begin 1770 het verzoek om toegelaten te worden tot de Overijsselse ridderschap. Dat was het begin van een lang slepende admissiezaak. De ridderschap had er namelijk weinig zin in om Van der Capellen toe te laten. Niet omdat ze zijn toekomstig optreden vreesden. Daar hadden ze nog geen idee van en hijzelf waarschijnlijk ook nog niet eens. Nee, de reden dat de Overijsselse riddermatigen hem niet in hun gelederen wilden hebben, was dat hij een Geldersman was. Volgens het reglement van toelating kon iemand uit een andere provincie in de ridderschap beschreven worden, wanneer hij aan de andere bepalingen van het reglement (door tenminste 24 jaar oud, lid van de gereformeerde kerk en in het bezit van een Overijsselse havezathe ter waarde van minstens 25.000 gulden te zijn) voldaan had, wanneer hij kon aantonen dat zijn voorouders reeds voor 1622 in een ridderschap beschreven waren geweest en wanneer Overijsselse riddermatigen daar ook toegelaten konden worden op grond van 'gelyk recht'.[9] Het probleem was echter dat bijvoorbeeld de ridderschappen van de Gelderse kwartieren Zutphen en de Veluwe aan vreemdelingen hogere eisen stelden dan de ridderschap van Overijssel: in Zutphen moest een vreemde jonker in het bezit zijn van een havezathe die hij door vererving of huwelijk had verkregen, op de Veluwe moest hij getrouwd zijn met een Veluwse jonkvrouw. Het gevolg was dat de Overijsselse ridderschap overspoeld werd met admissieaanvragen van uitheemse riddermatigen, waartegen zij zich met hand en tand verzette.[10]

Van der Capellen stond niet bepaald sterk. Volgens M. de Jong bezat hij slechts zo'n minimum aan jonkerschap, dat het met de bedoeling van het reglement beslist in strijd zou zijn als hij werd toegelaten.[11] Dat hij uiteindelijk in 1772 toch geadmitteerd werd, was dan ook uitsluitend te danken aan de steun die hij van de stadhouder kreeg. Al in oktober 1770 had Willem V aan Van Heiden Hompesch geschreven dat hij van mening was dat Van der Capellen in zijn recht stond en behoorde geadmitteerd te worden. Deze brief was vlak voordat op 19 oktober op de Landdag over de admissiequestie gesproken zou worden, aangekomen[12] en behalve Van Heiden Hompesch had nog iemand anders een brief van dezelfde inhoud van de prins gekregen. De Jong weet niet wie dat is geweest, maar hij denkt aan Rouse.[13]

In het Rijksarchief in Overijssel ligt een verzameling brieven van Willem V aan Arend Sloet.[14] Deze brieven zijn ooit door iemand chronologisch geordend en genummerd. Nummer één is een brief van 5 oktober 1771. Het vreemde is echter dat er ook een brief bij is van 16 oktober 1776 waarin Willem V uitlegt dat hij van mening is dat "de Heer Van der Capellen ... behoort geadmitteerd te worden". 1776, terwijl Van der Capellen al in 1772 geadmitteerd is! Hier moet wel een vergissing gemaakt zijn. De meest logische verklaring lijkt mij dat de zes in het jaartal geen zes moet zijn maar een nul. Immers, een zes lijkt meer op een nul dan op een één of een twee en de brief moet wel tussen 1770 en 1772 geschreven zijn. Dus is de brief gedateerd 16 oktober 1770 en dan ligt de conclusie voor de hand dat we hier de bovengenoemde tweede brief gevonden hebben!

Hiermee hebben we tegelijk ook, zeer waarschijnlijk althans, het begin gevonden van de correspondentie tussen Arend Sloet en de stadhouder. Wat was voor Willem V de reden om nu opeens aan Arend Sloet te schrijven? Waarom was een brief aan Van Heiden Hompesch nu opeens niet voldoende? In de eerste plaats was Van Heiden Hompesch een van de grootste tegenstanders van admissie van Van der Capellen.[15] In de tweede plaats was Van Heiden Hompesch een zeer eigengereid iemand, die bovendien door zijn heerszuchtig optreden velen tegen zich in het harnas joeg en zo als luitenant-stadhouder de reputatie van de prins ernstig schaadde.[16] Was Willem V bang dat Van Heiden Hompesch de brief naast zich neer zou leggen en wilde hij, door ook aan Arend Sloet te schrijven, hem dwingen om de brief op tafel te leggen? Immers, de wens van de prins zou via Arend Sloet toch bekend worden en het zou voor Van Heiden Hompesch gezichtsverlies betekenen als hij niet zou laten blijken ook daarvan op de hoogte te zijn. Of wilde Willem V hem misschien bewust aan de kant zetten, net als vroeger met Van Huffel was gebeurd? Dat laatste is niet onmogelijk, want hij moet beseft hebben dat het een ernstige ondermijning van Van Heiden Hompesch' positie zou betekenen als hij pal tegen diens adviezen inging.[17] Maar we moeten niet vergeten dat Van Heiden Hompesch nog slechts een jaar in functie was. Zou Willem V zich het gevaar dat Van Heiden Hompesch betekende voor zijn positie toen al bewust geweest zijn? Hoe het zij, de prins zag in elk geval reden om aan Arend Sloet te schrijven. Die was voor admissie.[18]

De correspondentie
De brief van 16 oktober 1770 was het begin van een jarenlange correspondentie tussen Arend Sloet en de stadhouder.[19] In het begin schreef Willem V slechts sporadisch aan de Sallandse drost (1770: 1 keer; 1771: 1 keer; 1772: 3 keer; 1773: 1 keer; 1774: 3 keer; 1775: 2 keer; 1776: 1 keer; 1777: 1 keer). Vanaf 1778 kwam daar echter verandering in (1778: 8 keer; 1779: 15 keer; 1780: 12 keer; 1781: 9 keer; 1782: 7 keer; 1783: 9 keer). Vanaf 1784 was het, afgezien van één enkele brief uit 1786, vlak voordat Arend Sloet overleed, plotseling afgelopen.

Een luitenant-stadhouder had twee hoofdtaken. Hij moest de stadhouder van informatie voorzien betreffende de ambtenverdeling. De stadhouder moest ingelicht worden welke ambten er wanneer vrij waren, wat de regels waren die in acht genomen moesten worden en wie er voor een ambt in aanmerking kwamen. In de tweede plaats moest hij verslag doen van wat er in de provinciale politiek voorviel en moest hij zijn best doen om de politiek van de prins uitgevoerd te krijgen.[20] Die twee taken komen ook voortdurend in de brieven van Willem V aan Arend Sloet terug. De conclusie lijkt dan ook zeer gerechtvaardigd dat Arend Sloet inderdaad de rol van luitenant-stadhouder vervulde. Maar hoe groot was zijn invloed? Stond hij inderdaad, zoals Gabriëls zegt, onder Van Heiden Hompesch en Rouse of slaagde hij erin zijn invloed vanaf 1770 zover uit te breiden dat hij, zoals Stroink zegt, de belangrijkste vertrouwensman van de stadhouder werd in Overijssel?

Lees verder...

Noten

1. A.J.C.M. Gabriëls, De heren als dienaren en de dienaar als heer. Het stadhouderlijk stelsel in de tweede helft van de achttiende eeuw (Den Haag 1990) 27-29. (terug naar tekst)

2. Idem, 70-71. (terug naar tekst)

3. A.F. Stroink, 'Arend baron Sloet van Tweenijenhuizen (1722-1786). drost en financier', Overijsselse historische bijdragen 110 (1995) 45-66, aldaar 57. (terug naar tekst)

4. Gabri ls, De heren als dienaren, 235-247. (terug naar tekst)

5. Idem, 183, 235 en 244; M. de Jong, Joan Derk van der Capellen (Groningen/Den Haag 1921) 99. (terug naar tekst)

6. Gabriëls, De heren als dienaren, 236-241; Stroink, 'Arend baron Sloet van Tweenijenhuizen', 57. (terug naar tekst)

7. Stroink, 'Arend baron Sloet van Tweenijenhuizen', 54; vgl. Gabriëls, De heren als dienaren, 77-81. (terug naar tekst)

8. Gabriëls, De heren als dienaren, 242-247. (terug naar tekst)

9. De Jong, Joan Derk van der Capellen, 94-96. (terug naar tekst)

10. Idem, 105-107. (terug naar tekst)

11. Idem, 169. (terug naar tekst)

12. Idem, 119-120. (terug naar tekst)

13. Idem, 125. (terug naar tekst)

14. Rijksarchief in Overijssel (RAO), Familiearchief Van den Santheuvel, inv. nr. 8. Alle aangehaalde brieven komen uit deze verzameling. Ik zal die daarom niet verder annoteren. (terug naar tekst)

15. De Jong, Joan Derk van der Capellen, 119. (terug naar tekst)

16. Gabriëls, De heren als dienaren, 242. (terug naar tekst)

17. Idem, 185-186; vgl. De Jong, Joan Derk van der Capellen, 162. (terug naar tekst)

18. De Jong, Joan Derk van der Capellen, 121. (terug naar tekst)

19. In het RAO bevinden zich alleen brieven van Willem V aan Arend Sloet. De complete correspondentie is te vinden in het Koninklijk Huisarchief, Archief Willem V, inv. nr. 222-4. Deze brieven heb ik wegens tijdgebrek helaas niet kunnen bekijken. (terug naar tekst)

20. Gabriëls, De heren als dienaren, 181-182. (terug naar tekst)